vrijdag 17 mei 2013

Taiye Selasi interview (De Standaard)


Een complexer Afrika

Taiye Selasi schreef met ‘Ghana ga weg’ een beeldende, lyrische roman over een familie met Ghanese en Nigeriaanse wortels. In Amsterdam vertelt ze over de zoektocht naar haar identiteit en over haar schrijverschap.

Kathy Mathys

Momenteel werkt ze aan twee Italiaanse filmscenario's en ze wil maar wat graag zelf een film regisseren. Voor haar veertigste wil Taiye Selasi debuteren als actrice op het witte doek, maar eerst is er haar debuutroman, ‘Ghana ga weg’.  De titel herinnert aan een gebeurtenis uit 1983. Toen verdreef de Nigeriaanse regering 2 miljoen Ghanezen. Ze kregen 24 uur om Nigeria te verlaten en stopten hun bezittingen in plastiek tassen, die bekend stonden als ‘Ghana Must Go’-tasjes. ‘Voor mij staan de tassen symbool voor verhuizing, voor reizen,' vertelt Selasi. ‘Ik had de titel al gekozen, toen ik nog niets afwist over de gebeurtenissen uit 1983. Ik kende enkel de tasjes die je nog steeds ziet in Ghana. Mijn moeder waarschuwde me dat de titel controverse kon opleveren, maar ik behield hem toch.’
Selasi is één van Granta’s Best of Young British Novelists 2013. Haar debuutroman krijgt internationaal veel lof. De schrijfster woont afwisselend in New York, Rome en New Delhi. Elk jaar reist ze naar Ghana, het land waar haar vader vandaan komt. Het is daar, meer bepaald in de hoofdstad, Accra, dat Kweku Sai komt te sterven. ‘Hij weet dat hij staat dood te gaan maar dat valt niet op te midden van zijn andere gedachten,‘ schrijft Selasi over de man die op een ochtend een fatale hartaanval krijgt. Ooit was Kweku een succesvol arts in de Verenigde Staten. Na ontslag om een vermeende medische fout verlaat hij zijn gezin en keert terug naar Afrika.’Ghana ga weg’ vertelt Kweku’s verhaal, maar ook dat van zijn vrouw en vier kinderen.
 ‘Toen ik heel klein was, wist ik al dat ik schrijfster wou worden. Dat was geen voor de hand liggende keuze binnen mijn familie, bijna iedereen heeft prestigieuze, stabiele jobs. Na mijn studies in Oxford zou ik een doctoraat gaan doen, maar toen ontmoette ik Toni Morrison die op bezoek was op de universiteit. We praatten en ze zei tegen me: 'Stuur me een manuscript op binnen het jaar.' Dat was de ultieme aanmoediging om me helemaal aan fictie te wijden. Ik stuurde haar mijn kortverhaal ‘The Sex Lives of African Girls’. Morrison was enthousiast, al vond ze het verhaal te kort. Uit de langere versie is ‘Ghana ga weg’ ontstaan.’
Alice Munro zei ooit over haar werk dat het 'waar is qua emoties, niet qua feiten’. Ze had het over het autobiografische gehalte in haar verhalen. Voor Selasi geldt net het omgekeerde. Ze gebruikte de omstandigheden en de plaatsen uit haar leven, uit dat van haar familieleden maar de emoties verzon ze: ‘Door het decor, de plaatsen, de beroepen te gebruiken die ik kende, kon ik meer mentale ruimte vrijmaken om na te denken over datgene wat me echt interesseerde, namelijk de innerlijke levens van mijn personages. Yale, Harvard, Accra, dat zijn plekken die me heel erg vertrouwd zijn.’   
Selasi’s moeder is Nigeriaanse, haar vader Ghanees. Ze groeide op in Engeland en de Verenigde Staten bij haar moeder, die niet veel vertelde over haar Afrikaanse wortels. Zo leerde Selasi Yoruba, de taal die haar moeder sprak in Nigeria, aan de universiteit. ‘Mijn moeder gebruikte wel woorden uit haar taal, dus ik begreep simpele dingen. Mijn tweelingzus en ik gingen naar Amerikaanse scholen, maakten ons huiswerk in het Engels, maar we waren heel nieuwsgierig. We wilden de taal echt leren.’

'Niemand vroeg ooit naar de details', schrijft u over Kweku. Stoort het u dat westerlingen voorgekauwde ideeën hebben over Afrika, over de miserie en armoede?

‘Mij stoort het wel maar Kweku vindt het net fijn dat niemand naar de details vraagt. Hij is ervan overtuigd dat de details irrelevant zijn, tot hij komt te sterven en zijn mening herziet. De weg en de zoektocht die mijn personages afleggen is heel persoonlijk, is geen afspiegeling van de vragen waar ik zelf mee worstel. De vraag naar mijn herkomst heeft mij altijd gefascineerd, ik heb er essays en artikels over geschreven. Voor een personage als Kweku is zijn herkomst een veel minder gecompliceerd gegeven. In mijn essays en reportages behandel ik politieke vraagstukken, in mijn romans ga ik op zoek naar mensen en hun verlangens.’

In 2005 schreef u het essay ‘Bye-Bye, Babar (Or: What is an Afropolitan?)’. De term ‘Afropolitan’ wordt inmiddels door velen gebruikt, ook al schreef u over een specifieke, persoonlijke gebeurtenis. Vindt u dit vreemd?

‘Ik had het niet kunnen voorzien. Toen ik dat essay schreef, was ik op zoek naar mijn identiteit. Was ik Engels, Ghanees, Nigeriaans, Amerikaans? Ik wist het niet, ik had het gevoel dat alle deuren voor mij gesloten waren. Daarom verzon ik die nieuwe term, het was als een deur die open ging. Ik ben inderdaad geen compleet West-Afrikaanse of Amerikaanse, maar wel ten dele. Het was niet zo dat ik geen Amerikaanse of Afrikaanse wou zijn, ik had het gevoel dat die optie er voor mij niet was. Ik hoorde immers voortdurend dat ik er niet echt bij hoorde, zowel in Afrika als in Amerika of in Engeland, waar veel van mijn familieleden wonen.
Er zijn inmiddels heel wat kunstenaars en schrijvers die zich ‘Afropolitans’ noemen. Wat ze gemeen hebben, is de manier waarop ze Afrika in beeld brengen. Ze doen dat op een manier die complex is, niet eenduidig. Ik stoor me aan eenzijdige beeldvorming van het Afrikaanse continent. Zo las ik onlangs ‘Swimming Home’ van Deborah Levy, een boek dat ik bewonder. Alleen stoort het mij dat een van de personages naar Brazilië, Indië en Afrika gaat. Afrika is een continent, Brazilië en Indië zijn landen. Levy heeft het ook over een Afrikaanse taal. Waarom benoemt ze die niet? Het stoort me wanneer alles over eenzelfde kam wordt gescheerd. Velen gebruiken al te zeer een pan-continentale verfborstel om Afrika te laten zien.’

In hoeverre zijn de media hiervoor verantwoordelijk?

‘Ze brengen bijna enkel verhalen over oorlog en honger, jammer genoeg. Stel je voor dat het enige Amerikaanse nieuws dat je op tv ziet te maken heeft met schietpartijen op scholen en lokale bomaanslagen, dan zou je Amerika afschrijven. Je zou zeggen: wat een disfunctioneel land! Het is niet zo dat er geen honger is in Afrika, geen oorlog. Alleen is er zoveel meer te vertellen. Momenteel werk ik aan een documentaire over het gewone leven van jonge twintigers in Afrika.’

Tijdens de Afrikaanse hoofdstukken in het boek plaatsen de personages vraagtekens bij de manier waarop Afrika wordt ontwikkeld. Maakt u zich daar ook zorgen om?

‘Ik vind het geweldig dat er modernisering is maar het moet er niet allemaal gaan uitzien als een tweede Californië: reusachtige verkeersborden, gigantische snelwegen en supermarkten. Ik hoop dat er ruimte zal blijven voor dorpen zoals dat waar Kweku vandaan komt, waar de dorpskern op zijn Ghanees  georganiseerd is, niet met straten die een raster vormen.
Ghana is gezegend. We hebben al geruime tijd relatieve vrede, zijn nu toe aan onze derde democratische verkiezing. We hebben olie, palmbomen enzovoorts. Ik vind het jammer dat er zoveel vuilnis rondslingert overal. We hebben nog op veel plekken open rioleringen, een erfenis van onze Britse kolonisatoren. De onverschilligheid tegenover de schoonheid van het land moet veranderen.’

De Sai-familie is liefdevol maar er zijn veel stiltes, zaken waarover niemand spreekt. Haast iedereen lijdt onder die stiltes. Zijn ze gevaarlijk?

‘Dat denk ik wel. Er is veel schaamte in dit boek en de enige manier waarop je schaamte te lijf kan gaan, is door te praten. Je moet verhalen delen. Als je niet communiceert, blijf je te veel ronddwalen in je eigen gedachten, zoals mijn personages. Binnen één moment kan er heel veel door je hoofd gaan. Iemand vroeg me eens waarom er zoveel flashbacks in de roman staan. Ik zie die gedachtestromen niet als flashbacks. Ook in het echte leven herinneren gebeurtenissen ons aan vroeger, gedachten over eerdere momenten razen door ons hoofd.’

Jarenlang hoorde u niets van uw vader. Hoe heeft u die stilte ervaren?

‘Bij onze eerste ontmoeting waren er al twaalf jaar van mijn leven verstreken. Toen mijn ouders uit elkaar gingen, waren mijn tweelingzus en ik veel te klein om hem te herinneren. Mijn moeder hertrouwde en toen scheidde ze ook van die tweede man, die we tijdens weekends wel nog bezochten, mijn zus en ik. Op een dag vertelde de juf aan mijn moeder dat ik een verhaal had geschreven over de dood van mijn vader, mijn biologische vader dan. Dat is het moment waarop mijn moeder besefte dat het tijd werd voor mij en mijn zus om die man te ontmoeten. Mijn moeder had ons weinig over hem verteld, maar we hebben er niet echt onder geleden, denk ik. Ik weet nog hoe ik met mijn tweelingzus zat te wachten op de luchthaven. 'Hopelijk is het niet die man,’ zeiden we over de types die ons niet aanstonden.
Het duurde heel lang voor mijn vader meer werd dan een idee, voor hij een emotionele betekenis had in mijn leven. Nu zie ik hem vaak. Er is wel een tijd geweest, toen ik geen kind meer was, dat ik me schaamde om mijn vader. Ik vond het erg dat hij meer dan één vrouw had. Ik haatte dat stereotiep van de Afrikaanse man met veel vrouwen. Daarom was ik ook niet trots om Afrikaanse wortels te hebben. Toch had ik toen al een passie voor Ghana en Nigeria. Nu ben ik zowel gepassioneerd als trots.’

Taiye Selasi – Ghana ga weg – Atlas Contact - vertaald door Auke Leistra - 382 blz. - oorspronkelijke titel: Ghana Must Go.

Eerste zin: ‘Kweku sterft met blote voeten op een zondag voor zonsopgang, zijn slippers staan nog bij de deur naar de slaapkamer, als honden.'

Recensie: Versplinterde familie

Kweku Sai beeldt zich in dat een cameraman zijn leven registreert. Wanneer één van zijn zonen hem waarlijk aankijkt met ogen die de dingen doorzien, schaamt Kweku zich en pakt hij zijn biezen. 'Ghana ga weg' is het verhaal van een familie die na het vertrek van de vader uit elkaar valt. De vier kinderen maken traumatiserende gebeurtenissen mee. Zo heeft de jongste een eetstoornis en wordt de tweeling misbruikt.
'Ghana ga weg' is een roman over kinderen die de kwetsbaarheid van hun ouders ontdekken, over hoe hechte families in enkele weken tijd ontmanteld kunnen worden. Selasi bezingt dood én leven - de schoonheid van alles wat er is - in beeldende, lange zinnen. Ze schrijft over 'een droefheid van helium, te ijl om te dragen'. Over iemands snurkgeluid klinkt het zo: ' (…) een soort muzikaal arrangement, gelardeerd met dromen van suikerbonen en Tsjaikovski'.
'Ghana ga weg' belooft heel wat goeds voor Selasi’s toekomst. Ze doet veel moois met beperkte verhaalstof, verkent haar thema's op diepgravende wijze en voert het tempo nooit op een geforceerde manier op. Toch is het jammer dat de schrijfster op sommige momenten niet wat meer ingetogen uit de hoek komt. Er druppelen wel erg veel tranen in dit boek. Selasi schrijft in refreinen; zo komt het beeld van Kweku’s slippers - symbool voor zijn sterfelijkheid - steeds terug. De gedachtestromen van de personages nemen je mee naar eerdere sleutelmomenten. Selasi verbindt het intieme met het historische op een manier die overtuigt.

***

Kathy Mathys



zondag 12 mei 2013

Jolien Janzing – De meester (De Standaard)


Opera in het bloed

In ‘De meester’, de tweede roman van Jolien Janzing, verkent Charlotte Brontë het negentiende-eeuwse Brussel.

Kathy Mathys

Charlotte (foto) en Emily Brontë groeiden op in Haworth, een ruwe, winderige plek in Noord-Engeland, maar 'De meester' speelt vrijwel integraal in Brussel. België, 'een luis in de vacht van Europa', ziet er door Charlotte Brontës bril gesofisticeerd uit: de dames hebben een verfijnde garderobe en het eten is beter dan wat ze gewend is. En bovenal: de Belgische man heeft 'meer opera in zijn bloed dan de Engelsman'.
De Belgische aflevering in het leven van Emily en Charlotte Brontë is bekend. In 1842 reisden ze af naar het Pensionnat Heger. Ze hebben schrijfambities en willen nadien, in Engeland, een school oprichten zodat ze niet langer als gouvernante hoeven te werken.
Janzing windt er geen doekjes om en kondigt de vurige, verboden romance van Charlotte en haar getrouwde leraar, Constantin Heger, van bij aanvang aan. Ze doet dat in negentiende-eeuwse stijl, door middel van een alwetende verteller die de lezer meetroont naar alle uithoeken van de hoofdstad. De verteller spreekt ons rechtstreeks aan, waarschuwt voor wat ons te wachten staat. Vooral in het eerste deel van de roman zorgt deze aanpak ervoor dat je de Brontës van op te grote afstand bekijkt.

Koninklijke kringen

Janzings camera zwenkt zelfs uit naar Koninklijke kringen. De Belgische vorst heeft genoeg van zijn afstandelijke vrouw, Louise-Marie, en laat zijn oog vallen op Arcadie,een zoetsappig meisje van net geen zestien. De verhalen van Arcadie en de Brontës scheren rakelings langs elkaar heen. De machtsverhoudingen in de twee huwelijken zijn aan elkaar tegengesteld: de koning is sterker dan zijn bedlegerige vrouw, maar Constantin Heger danst naar de pijpen van zijn echtgenote.
Het tweede deel van de roman is intenser, het ritme nerveuzer en dat komt 'De meester' ten goede. Zelfs al ken je het verhaal, je blijft begeesterd verder lezen. Janzings bloemrijke stijl past goed bij deze klassiek vertelling. Ze beschrijft hitte als 'de adem van een vuurgod' en Emily’s profiel als 'een bleke maansikkel'. Wat kom je te weten over de zussen? Emily is rebels, geniaal, ze hongert zich uit, wat een vorm is van verzet. Charlotte wil wel behagen. Ze verlangt naar een man maar gruwt van de gedachte aan een hele rits kinderen. Janzing laat haar hopen dat madame Heger sterft in het kraambed. De psychologische portretten zijn voorbeeldig, al had Janzing nog wat dieper mogen graven. Al bij al is ‘De meester’ iets te risicoloos, vooral in vergelijking met ‘Grammatica van een obsessie’, Janzings debuut.

**

Jolien Janzing – De meester – Arbeiderspers – 272 blz.

maandag 6 mei 2013

Granta Best of Young British Novelists 4 (De Standaard)


Een sterk gemengde klas

Welke Britse auteurs zullen het de komende 10 jaar helemaal maken? Granta heeft gesproken.

Kathy Mathys

In 1983 publiceerde het literaire tijdschrift Granta voor het eerst een lijst met aanstormend Brits talent. Op de ‘Best of Young British Novelists 1’ stonden Julian Barnes, Martin Amis en Kazuo Ishiguro, maar ook Ursula Bentley en Christopher Priest die bij ons nooit doorbraken.
Granta maakt de twintig namen om de tien jaar bekend en vorige week was het de beurt aan de ‘Best of Young British Novelists 4’. De auteurs mogen niet ouder zijn dan 40 waardoor een aantal grote talenten nooit op een Grantalijst stond, Hilary Mantel bijvoorbeeld die laat doorbrak. Deze keer is Mohsin Hamid net te oud. Voor het eerst staan er meer vrouwen dan mannen op de lijst, 12 van de 20. De auteurs hebben een heel diverse achtergrond: zij, of hun ouders, komen uit China, Pakistan, Hongarije, Bangladesh. Er staan bijna geen verhalen in deze collectie die in hedendaags Groot-Brittannië spelen.

Donker

Het Grantanummer dat de lijst begeleidt, bevat vooral uittreksels uit toekomstige romans van de laureaten. Enkel Naomi Alderman, Taiye Selasi en Ross Raisin leverden afgeronde kortverhalen. De gekozen fragmenten laten niet altijd zien waarom een auteur volgens de jury absoluut thuishoort op de lijst. Juryleden hebben het volledige oeuvre van alle schrijvers gelezen, ze gingen vast nauwgezet te werk. Het is dan ook jammer dat de fragmenten van Xiaolu Guo of van Helen Oyeyemi zo flets zijn. Je krijgt niet meteen zin om al hun boeken te lezen.
Andere  weinig bekende namen wil je wel meteen leren kennen. Zo is er Benjamin Markovits die al zes romans schreef - onder andere een trilogie over het leven van Lord Byron - en wiens romanfragment over een groep studenten die Detroit nieuw leven wil inblazen, meteen begeestert. Of er zijn de bijdragen van Joanna Kavenna en Ned Beauman van wie we vooral de overtuigende vertelstem onthouden. Beaumans ‘Glow’ speelt in Myanmar, in een ontregelde wereld van chemische drugs en prostitutie. Nog meer prostitutie vinden we in de vertelling van David Szalay, waarin een Hongaar zijn vriendin rondrijdt in Londen zodat ze zich kan prostitueren in hotels. Dit fragment vol kebabtenten en vieze hoofdkussens is een van de beste uit de collectie. Het valt op dat veel personages in de prostitutie zitten of een andere mensonterende job hebben. Dit is een donkere bundel.

Vorm

Volgens John Freeman, die de introductie schreef, gingen de juryleden vooral op zoek naar schrijvers die stilistische durf aan de dag legden, die vol zelfvertrouwen konden vertellen en die nadachten over de vorm van de roman. Niet alle fragmenten beantwoorden aan die criteria. Op stilistisch vlak is dit een rustige collectie die niet meteen vernieuwend klinkt. Jenni Fagan laat haar woorden fonkelen, jammer dat haar fragment inhoudelijk niet genoeg beklijft. Dichter en romancier Adam Foulds bevestigt met een ingehouden verhaal over een soldaat tijdens de Tweede Wereldoorlog. Sarah Halls vertelling over een vrouw die op een indianenreservaat werkt en terugkeert naar Cumbria, waar haar moeder stervende is, maakt erg nieuwsgierig. Op stilistisch vlak is Hall een van de uitblinkers.
Adam Thirlwell, die al op de vorige lijst stond, is een schrijver die nadenkt over de vorm van de roman en die zijn personages dingen laat zeggen als ‘Ik deed dat ding wat ze ook altijd in films doen’. In zijn fragment, dat tussentitels bevat, ontwaakt een man naast een dode vrouw in een motelkamer. Benieuwd of Thirlwell eindelijk iets kan afleveren wat niet enkel geestig is en vernuftig. Ook Steven Hall denkt na over de vorm die verhalen kunnen aannemen. In zijn roman ‘The Raw Shark Texts’ stonden zelfs tekeningen. Deze keer moet je het boek op de kop draaien om verder te kunnen lezen.

Toekomst

De lijst bevat enkele bekende namen met Zadie Smith als enige ster. Zij leverde een fragment aan uit een novelle die ze blijkbaar nooit zal afwerken. Ook Evie Wyld is al in het Nederlands vertaald, ze schrijft zintuiglijk proza dat doet denken aan het werk van Sarah Hall. Kamilla Shamsie, schrijfster van ‘Verbrande schaduwen', werkt blijkbaar aan een roman over Indiërs die in de eerste wereldoorlog meevochten.
Is dit een toplijst? Dat zal de toekomst uitwijzen. Deze collectie biedt een versnipperde, gemengde leeservaring en niet alle fragmenten zijn even goed gekozen. Ontbreken er ook belangwekkende namen? John Mc Gregor was mooi geweest, Gwendoline Riley ook.

***

Best of Young British Novelists 4 – John Freeman (red.) – 256 blz. – 10.50 €.




Amity Gaige interview (De Standaard)


Over de liefde die pijn doet

Indringend, poëtisch en toonvast: 'Schroder’, de derde van Amity Gaige, is een parel. In Londen spraken we met de Amerikaanse schrijfster.

Kathy Mathys

'Ik had een verleden gevonden dat bij mijn heden paste.' Tot ons spreekt Eric Schroder, die als kind met zijn vader Oost-Duitsland ontvluchtte en in een buitenwijk van Boston ging wonen. Het Amerika van het jaar 1984 is een fascinerend mijnenveld voor de jongen; voortdurend verwondert hij zich om de vanzelfsprekende manier waarop Amerikanen door het leven walsen. Om erbij te horen, verandert kleine Schroder zijn naam stiekem in Kennedy. Het is een naam met de kracht van een toversleutel, een naam die beter past bij zijn heden. De leugen vertakt zich, de waarheid wordt een zorgvuldig bewaard geheim. Zelfs Schroders echtgenote kent zijn echte naam niet en dat blijft zo, ook nadat 'het schemerdonker’ over het huwelijk is gevallen en de twee uit elkaar gaan.
In een klein hotel in Bloomsbury vertelt Gaige hoe blij verrast ze is met het internationale succes van haar boek, een succes waar ze wel een reden voor kan bedenken: 'Het boek is in bepaalde opzichten een migrantenverhaal en daarom is het voor velen herkenbaar. De vraag naar de manier waarop je al dan niet assimileert, is heel actueel. Mijn personage assimileert niet, hij schrapt zijn verleden.
Zelfs wanneer je niet je hele hebben en houwen naar de andere kant van de wereld verplaatst, is dit verhaal wellicht herkenbaar. We zijn meer dan ooit nomaden. Kijk maar eens naar het gemak waarmee Europeanen van het ene EU-land naar het andere verhuizen.’
Gaiges moeder kwam als elfjarige naar de Verenigde Staten vanuit Letland. Kleine details uit haar biografie vormden een inspiratiebron bij het schrijven van 'Schroder’: ‘Mijn moeder besloot heel bewust om te assimileren. Haar ervaringen in de Baltische staten en de gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog waren heel traumatisch voor haar. Ze wou dat alles achter zich laten. Om haar overtocht te betalen, plukte ze katoen in de Verenigde Staten. Haar familie was erg arm. Toch ging ze naar de universiteit, werd ze psychologe en werd haar leven een ‘Amerikaans’ succes.’
‘Schroder’ heeft een aparte ontstaansgeschiedenis. Gaige wou aanvankelijk een ander boek schrijven dat dicht bij het verhaal van haar moeder bleef. Terwijl ze onderzoek deed in Letland las ze een krantartikel over een gescheiden man die zich een nieuwe identiteit had aangemeten. Deze Duitser beweerde dat hij een Rockefeller was, iets wat hij verborg voor zijn vrouw en dochter. Gaige was gefascineerd door dit verhaal over een man wiens leugen de relatie met zijn dochter bedreigde. Na de echtscheiding ontvoerde hij zijn kind, net als Schroder in de roman. Na de ontvoering kwam alle bedrog aan het licht.
‘ Ik gebruikte de biografische gegevens uit dat krantenartikel en importeerde alle thema's uit mijn Letlandboek naar de roman die uiteindelijk 'Schroder’ zou gaan heten. Voor mij is het dan ook niet belangrijk dat het personage een Duitser is, hij kon afkomstig zijn uit een ander communistisch land. Toch behield ik die Duitse identiteit omdat Schroder als kind in Berlijn woonde, waar Kennedy onthaald werd als een held.’

Een goede ouder

Wanneer Schroder zijn dochter Meadow steeds minder te zien krijgt, neemt hij haar mee, zonder toestemming te vragen aan zijn ex. ‘De schuldige geest wil steeds sneller, geeft plankgas,' schrijft Gaige. Met Schroder creëert ze een personage dat manische, enge trekken heeft én barstensvol liefde zit voor zijn dochter. Schroder wil zowel bij zijn dochter zijn als dat hij dat verlangen bestrijdt. Voor Gaige is dit een vader-dochterroman:  
‘Ik schreef dit boek tijdens een tumultueus jaar uit mijn leven. Mijn vader was net gestorven en niet lang daarvoor zijn mijn ouders gescheiden, na een huwelijk van 44 jaar. ’Schroder’ schrijven, had een therapeutisch effect op mij, het heeft me getroost. Dit is een boek over leven en dood. De dood van mijn vader zit erin maar ook de geboorte van mijn zoon. Ik dacht veel na over het moederschap. Een goede ouder zijn, wat betekent dat? Toen die frauduleuze Rockefeller gearresteerd werd, zei hij dat het hem niets kon schelen. Samenzijn met zijn dochter ging boven alles, ook al liep hij kans op een gevangenisstraf. Dat vond ik interessant. Ik begon te fantaseren over hoe ik zelf zou reageren in het geval van een echtscheiding. Zou ik dan nog een goede moeder zijn? Zou ik een goede moeder zijn als ik mijn huis verloor, in armoede verzeilde?’
Ook in ‘The Folded World’, Gaiges tweede roman, is ouderschap een belangrijk thema. Gaiges personages vinden het moeilijk, soms zelfs beangstigend, om vader of moeder te zijn. Het lijkt wel alsof ouderliefde een donkere, gevaarlijke kant heeft.
‘ Wanneer je kinderen hebt, hou je van hen op een manier die bijna pijn doet. Op sommige momenten is het gevoel zelfs onaangenaam. Je maakt je zorgen om hen, om de toekomst die ze zullen krijgen. Ouderliefde moet je doseren. Je hebt een gezonde psyche nodig om ouder te zijn want anders word je overbeschermend, overbezorgd.’
Schroder en Meadow hebben een onconventionele band, vader neemt dochter mee naar plekken die sommige kinderpsychologen de wenkbrauwen zouden laten fronsen. Laat je een kleuter een ontbindende vos zien? Wat vertel je haar over de dood? Toon je haar je verdriet en eenzaamheid?
‘Schroder is een experimentele ouder, die geïnteresseerd is in de manier waarop zijn kind denkt en zich ontwikkelt. Vader en dochter hebben een fantasiewereld, lezen veel boeken, leren en ontdekken samen. Ik vind het prijzenswaardig dat hij haar serieus neemt en stimuleert. Toch doet hij ook dingen waar ik geen begrip voor heb. Een bijeenkomst van de AA is geen plek voor een klein meisje.
Mijn vader en ik speelden nooit met de poppen, wel praatten we veel over de verhaaltjes die ik als kind schreef. Hij behandelde me als een volwassene en dat heeft goede en minder goede kanten. Gelukkig was mijn vader psychisch gezond, in tegenstelling tot Schroder, die de pech had dat zijn ouders niets uitlegden. Ze zwegen altijd, met alle dramatische gevolgen van dien.
Mijn zoon is nu zeven en stelt me vaak vragen waarvan ik denk: hoe kan ik het goede antwoord geven, zonder hem te betuttelen, zonder hem te overdonderen? Het is een aartsmoeilijke koorddans.’

Oorloglittekens

Schroder houdt niet van stiltes, hij is een prater met een uitgekiend taalgevoel. Jarenlang werkt hij al aan een studie over stilte. Windstiltes en weglatingen, aarzelingen en impasses begeesteren hem. Hij wil de aard van de stilte bestuderen, het inzicht dat kan ontstaan aan het einde van een versregel.
‘ Ik maakte van hem een enigszins pretentieuze prater. Zijn stem is allesbepalend voor de roman. Zonder die toon had je geen boek. Omdat ik zelf hou van taal, van terzijdes wou ik een personage met diezelfde affiniteiten.
Stilte interesseert me als schrijver. Woorden vormen mijn gereedschap en voortdurend heb je het gevoel dat ze niet volstaan.’
Schroder heeft veel gemeen met Hal, het schizofrene personage uit ‘The Folded World’. Het is opvallend hoezeer Gaiges interesse uitgaat naar excentrieke, soms zieke geesten. De schrijfster gelooft dat de grens tussen normaliteit en abnormaliteit niet absoluut is.
'We zitten op hetzelfde continuüm. Ik ben ervan overtuigd dat we allemaal onze eigen kleine krankzinnigheden hebben, of het nu een beheersbare vorm van compulsief gedrag is of iets anders. We hebben privégewoonten die we niet aan de buitenwereld willen tonen, gedragingen binnen onze relaties die ongebruikelijk zijn. Ik ben geïnteresseerd in wat er diep vanbinnen gebeurt, niet in de façade. Wat me ook boeit is de grens tussen waanzin en creativiteit. Veel schrijvers zaten tegen krankzinnigheid aan. Denk maar aan een schrijfster als Virginia Woolf. Volgens mij was ze nooit gezond, maar wat een geest!
Om Hal tot leven te wekken heb ik veel onderzoek gedaan naar schizofrenie en ik had vooral aandacht voor het moment waarop Hal beseft dat hij ziek wordt. Ook ‘The Folded World’ begon met een krantenartikel, het ging over een maatschappelijk assistent die vermoord werd door een patiënt.’
Gaige vermoedt dat het verleden van haar moeder verklaart waarom ze zoveel belangstelling heeft voor de impact van de geschiedenis op mensenlevens. Als kind hoorde ze oorlogsverhalen die diepe indruk maakten.
‘ Toen mijn moeder een kind was, kreeg ze tijdens de oorlog een granaatscherf in het hoofd. Ik vond het vreselijk om dat te horen over mijn eigen moeder. Ik ben geïnteresseerd in oorloglittekens op termijn. Trauma en depressie kunnen doorgegeven worden in het bloed. De geschiedenis van mijn familie spookt in elk geval nog geregeld door mijn hoofd.’
Ik vraag Gaige of ze Schroder, die opgroeide in communistisch Oost-Berlijn bij afstandelijke ouders, ook ziet als een oorlogsslachtoffer.
‘ Zeker en daarom kan ik met hem sympathiseren. Schroder is het slachtoffer van beslissingen die zijn ouders maakten. Daarom veroordeel ik hem niet. Er is nog een andere reden waarom ik met hem sympathiseer. Wanneer je kinderen krijgt, ontwikkel je regels, richtlijnen. Je denkt dat het wel zal lukken als je je daaraan houdt. Dan besef je hoe moeilijk het is. Elke ouder die ik ken, heeft wel eens iets gedaan dat niet goed was voor het kind. Technisch gezien is Schroder een kidnapper, maar hij is ook een vader. Mijn filosofie van het leven klinkt als volgt: in wezen is haast niemand slecht. We hebben goede bedoelingen maar maken veel fouten die zware schade kunnen aanrichten. Daarover gaan al mijn verhalen.’

****

Amity Gaige – Schroder – Agathon - vertaald door Mieke Trouw en Wim Scherpenisse – 301 blz. - oorspronkelijke titel: Schroder.


Recensie:

Amity Gaige begon als dichteres voor ze haar eerste roman schreef, ‘O My Darling’. Aan de taal en de stijl van 'Schroder’ merk je nog dat ze kijkt met een dichtersoog. Ze heeft het over een colosseum dat ‘beenderwit’ oplicht, over hoe 'de dooier van mijn hart loskwam’. Wat een geluk dat Eric Schroder taal als stokpaardje heeft. De ik-verteller doet zijn verhaal in de vorm van een bekentenis aan zijn ex. Het is een onwaarschijnlijk verhaal en toch laat de schrijfster je niet twijfelen, neemt ze je moeiteloos mee in deze vertelling over een randfiguur die in het zonlicht wil staan. ‘Schroder’ is spannend, een soort road novel met thrillerelementen, maar Gaige schrijft beheerst, forceert niets. Bovenal is dit een boek over de liefde van een vader voor een dochter en van een dochter voor haar vader. Het is een verhaal over eenzaamheid, over verdriet, dat als 'een soort mentale kaakklem’ het hoofdpersonage gijzelt. (Kathy Mathys)


zondag 14 april 2013

Joseph O'Connor - Alles goed? (De Standaard)


Ierse liefdes

Joseph O’Connor brengt verhalen van wisselend niveau in de verhalenbundel ‘Alles goed?’

Kathy Mathys

We kennen de Ierse Joseph O’Connor vooral van zijn romans ‘Stella Maris’ en ‘Volgspot’. Voor het eerst verschijnt nu een verhalenbundel van hem in het Nederlands. Het titelverhaal in 'Alles goed?' is een novelle in hedendaags Dublin, de belangrijkste locatie uit deze collectie. Sommige verhalen spelen nog tijdens de hoogdagen, toen het geld zich leek te vermenigvuldigen, maar in 'Alles goed?' is er sprake van een IMF- delegatie die het omvallende land komt redden. Bij Cian Hanahoe, hypotheekadviseur bij een investeringsbank, slaan de stoppen door na zijn echtscheiding; hij belandt kort in de psychiatrie. O’Connor vertelt het verhaal van Hanahoe’s relatie met een Londense filmsetontwerpster. Er lijkt iets moois op te bloeien tot het paar ten onder gaat aan vermijdingstrategieën. O’Connor verkent het verraderlijke terrein van een prille relatie met subtiele hand. Hij neemt ook Hanahoe’s jeugd mee in het verhaal, de dood van zijn vader, waardoor deze novelle meer is dan een liefdesverhaal.  
'Dood van een ambtenaar' is een sombere variant op ‘Alles goed?’. Ook hier vinden we een gescheiden man die depressief is, maar voor hem is er geen hoop. Kan je weg lopen uit je leven? Ken je een ander ooit echt? Dat zijn de vragen die door deze verhalen spoken. Toch is O’ Connor niet pessimistisch over de romantische liefde. Hij sluit zich aan bij de dichter Alfred Lord Tennyson die in ‘The Passing of Arthur’ stelt dat er de mens geen hogere lotsbestemming wacht, dat onze geliefden onze ultieme lotsbestemming zijn.
Verschillende personages hebben Dublin ingeruild voor Londen of New York. Sommigen denken met heimwee terug, voor anderen is de stad een benepen plek die, alle plastisch chirurgische ingrepen ten spijt, nooit zal veranderen. De spanning tussen Ieren en Engelsen speelt een rol in het minder sterke 'Jeugdig vuur' waarin een man het slachtoffer wordt van een macabere grap. Sommige verhalen hebben nog te veel van een aanzet, 'Figuur op een foto' bijvoorbeeld, waarin de problemen van een vader en een tienerzoon te vaag blijven. Veel sterker is het historische 'Orchard Street, 's ochtends vroeg' waarin een jonge Ierse migrante in New York haar baby begraaft. Er is geen grafsteen voor de vele doden die het niet halen in het beloofde land.
O’Connor is op zijn best in de melancholische, elegische verhalen. Laat hij de komische toer op, dan durft hij wel eens te vervallen in clichés.

**

Joseph O‘Connor – Alles goed? – Anthos – Amsterdam – 136 blz. – 14.95 €. – vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema – oorspronkelijke titel: Where Have You Been?

In de papieren editie staat enkel het titelverhaal. De andere verhalen zijn los verkrijgbaar als e-book.Have You Bee

Interview Mohsin Hamid (De Standaard)


‘Ik wil de lezer een actieve rol geven.’

Zijn derde roman is een van de mooiste van dit voorjaar. Een gesprek met Mohsin Hamid over Lahore, water en de tweede persoon.

Kathy Mathys

In een anonieme metropool timmert een anonieme jongen aan de weg. Hij wordt verliefd, zijn ouders sterven. Hij wint en dan verliest hij. Doodeenvoudig is het verhaal van ‘Hoe word je stinkend rijk in het nieuwe Azië?’, een boek met een misleidende titel. Het is niet de satire die je verwacht op basis van die brutale titelvraag. Mohsin Hamid schreef zijn roman in de ongebruikelijke jij-vorm.

‘Ik ben gefascineerd door de vorm van teksten en daarmee bedoel ik niet de decoratie, de likjes verf die je aanbrengt op de muur. De vorm van de roman is de architectuur, de structuur die het verhaal het meest tot zijn recht laat komen.
In Pakistan is het Soefi-gedicht het belangrijkste literaire genre. Vaak richt de verteller in het gedicht zich tot de geliefde in de tweede persoon. Dat heeft me geïnspireerd. De jij-vorm past in een roman die vragen stelt over het belang dat we toekennen aan het ‘ik’, met name in de kapitalistische cultuur. Ik breng twee vertellingen: die van de kapitalistische markt en die van het mensenleven op intieme schaal. Het kapitalistische verhaal is er een van onophoudelijke groei maar mensen verliezen uiteindelijk alles. Je verliest je gezondheid, ouders, geliefden en je leven. Het kapitalisme heeft geen taal voor verlies. Het is een traditie die het ‘ik’ centraal stelt en die geen aandacht heeft voor de dood. Daarom lees je niet enkel het verhaal van het commerciële succes van mijn personage maar ook dat van de ontmanteling van zijn intieme leven.

U verpakt de roman in de vorm van een zelfhulpboek. Nochtans gaat het in dat genre om winst, om de verbetering van het ‘ik’.

Dat klopt. Ik vind dan ook dat veel zelfhulpboeken overbodig zijn. We hebben minder ‘zelf’ nodig, niet meer. De eerste kiem van 'Hoe word je stinkend rijk in het nieuwe Azië?' ligt in New York waar ik een gesprek had met een vriend over literaire fictie, over hoe elke roman eigenlijk een soort zelfhulpboek is, want dat geloof ik dus wel. Op zoek naar een houvast  lezen we romans om onszelf te verbeteren. Tegen mijn vriend zei ik destijds: 'Mijn volgende boek wordt een zelfhulpboek.’ Eens ik had beslist dat de roman die vorm zou krijgen, kwam ik uit bij de tweede persoon. Wil je de lezer helpen, dan moet je hem rechtstreeks aanspreken.

Uw personage heeft geen naam en zijn verhaal speelt in een anonieme stad. Dacht u aan een bepaalde plek?

Ik dacht aan Lahore in Pakistan. Toch wilde ik me daardoor niet laten beperken. Dit is geen boek over het specifieke karakter van Lahore. Ik beschrijf het algemeen menselijke en lezers uit Mumbai, Johannesburg of Mexico City herkennen hun stad net zo goed. Ik ben er ook van overtuigd dat een naamloze stad en een naamloos personage de lezer op een directere manier betrekt bij het verhaal. Geef ik een personage een naam, dan blijft de lezer op afstand. Schrijf ik ‘Jouw moeder stierf’, dan ontstaat er een veel intensere relatie met de lezer. Namen zijn als merknamen, ze verhinderen ons om betekenis te leggen in het naamloze. Ik wil de lezer een actieve rol geven.

Veel auteurs beweren dat ze tijdens het schrijfproces niet nadenken over hun lezers. Bij u ligt dat anders?

Zeker. Eigenlijk is 'Hoe word je stinkend rijk in het nieuwe Azië?'  mijn versie van de 19e-eeuwse vuistdikke roman. Dat mijn boek 200 bladzijden telt in plaats van 600 heeft te maken met mijn besef dat de moderne lezer niet te vergelijken is met die uit het Londen van Dickens. Dankzij cinema, televisie en internet kennen we zoveel beelden dat een schrijver er mag van uitgaan dat de lezer een visuele woordenschat heeft. Voor een 19de- eeuwse lezer zou mijn roman erg versplinterd aanvoelen, hij zou niet het gevoel hebben dat hij een coherent leven krijgt aangereikt. Moderne lezers kunnen wel om met die versnippering, ze kennen het uit series en films.
Ik ben er ook van overtuigd dat je rekening moet houden met de beperkte tijd die de huidige lezer heeft. Als je een boek korter kan maken, moet je dat doen. Al mijn romans kan je in één leessessie beëindigen. Dat ze kort zijn, betekent niet dat ze slechts heel even aanwezig zijn in het leven van de lezer. Onlangs liep ik met mijn dochter in de tuin en we vonden een dode bij. Toen ik zei dat het dier dood was, merkte ze op dat het slechts sliep. De dood heeft nog geen betekenis voor haar. Meteen daarna bedacht ik dat we het beroemde Engelse kinderboek ‘Charlotte’s Web’ maar eens moesten lezen, een verhaal over de dood. Dat is een boek waar ik sinds mijn kindertijd dikwijls aan dacht en dat nu een nieuw leven krijgt omdat ik het voorlees. De ideale leeservaring duurt voort, een leven lang, hoe kort een boek ook is.

Het hoofdpersonage probeert rijk te worden met de verkoop van flessenwater. Waarom koos u voor de waterbusiness?

Water was ooit gratis. Samen met zuurstof vormt het de essentie van het menselijke leven en het is dan ook verbijsterend dat het nu een product is. Water staat in het boek symbool voor de uitwassen van über-kapitalisme. Ik maak me zorgen en die bezorgdheid klinkt door  in het boek. Toch is dit mijn meest optimistische werkstuk, hoe vreemd dit ook klinkt. Dit is een boek over verlies én over de manier waarop we verlies overstijgen, er ons mee verzoenen. Mijn eerdere romans eindigden hopelozer.

En ze waren minder gelaagd dan dit nieuwe boek, dat satirisch begint en uitmondt in een doorleefd verhaal.

Ik heb daar heel goed over nagedacht want ik wist dat ik meer wou dan satire. Toch leek het mij ondoenbaar om de lezer meteen aan te spreken met een intieme, doorleefde stem. Die boze, satirische stem uit het eerste deel is noodzakelijk, je moet de lezer de tijd geven om te wennen. Wanneer je iemand voor het eerst ontmoet, zeg je toch ook niet meteen dat je van hem houdt? Dat klinkt onoprecht.

Geen moedertaal

Een Pakistaan die jaren in Amerika studeerde en er de kapitalistische droom najaagde, keert terug naar het thuisland na de aanslagen van 11 september 2001. 'De val van de fundamentalist', Hamids vorige roman, is een boek met een dreigende atmosfeer en met een verteller van wie je niet weet wat je aan hem hebt. Hamid laat de lezer zijn of haar politieke vooroordelen toetsen.

‘De val van de fundamentalist', mijn tweede boek, zie ik als een spiegel die de lezer zich voorhoudt. Het hoofdpersonage voert een monoloog en spreekt de lezer aan, wat een confronterend effect heeft. De angst die de lezer ervaart, ontstaat door de sfeer, niet door wat het personage uitvoert. Het personage laat een baard groeien en als lezer ben je geneigd om te denken dat de man religieus fundamentalistische sympathieën heeft. Nochtans wordt dat nergens gezegd in het boek. Dat is de wereld waarin we leven, een wereld waarin angst ontstaat die niet altijd gebaseerd is op feitelijkheden. Denk maar aan de zogenaamde massawapens in Irak die zoveel angst veroorzaakten in het Westen.

U woonde als kind afwisselend in Pakistan en de Verenigde Staten. Welke weerslag had dit op uw schrijverschap?

Ik denk niet dat ik schrijver was geworden, als ik altijd op dezelfde plek had gewoond. Toen ik drie was, verhuisden we naar de VS en, al was ik een echte babbelaar, ik zei geen woord meer, een maand lang. Dan begon ik Engels te praten, een taal die ik nog niet kende. Toen ik op mijn negende terugging naar Pakistan was ik al mijn Urdu vergeten. Ik moest de taal opnieuw leren. Ik heb een tweede taal, Engels, de taal waar ik het best in ben, en ik heb een derde taal, Urdu. Ik heb geen moedertaal. Daardoor komt het dat ik mij voortdurend zowel een insider als een outsider voel. Ik heb nooit een eenzijdig perspectief op de dingen gekend . Nu woon ik in Lahore en ik snap de frustratie van veel Pakistanen net zo goed als dat ik de angst van sommige Amerikanen begrijp.

Hoopt u ook op een groter begrip van de lezer?

Ik wil de ideeën die we hebben over groepen in vraag stellen en ontzenuwen. Ik geloof in het individu en ik geloof in de mensheid. Ik geloof niet in groeperingen, categorieën. Natuurlijk is het zinvol om af en toe termen als moslim, christen, man of vrouw te gebruiken. Toch generaliseren we, telkens we er een beroep op doen. In mijn werk wil ik datgene wat simplistisch is gemaakt, verfijnen. Het is ook daarom dat je in mijn boeken altijd meer dan één stem hoort want één stem die alle andere wegdrukt, daar verzet ik me tegen.

****

Mohsin Hamid – How to Get Filthy Rich in Rising Asia – Penguin Books – 240 blz. – 12.99£.

Mohsin Hamid – Hoe word je stinkend rijk in het nieuwe Azië? – De Bezige Bij – 240 blz. – 18.50 €

Eerste zin: ‘Kijk, een zelfhulpboek is een oxymoron, tenzij je er een schrijft.’


Recensie:

Tientallen registers

De derde roman van Mohsin Hamid heeft de vorm van een zelfhulpboek met hoofdstukken die titels dragen als 'Volg een opleiding '. Hamid schrijft in de tweede persoon, een techniek die erg goed werkt en die zowel de lezer bij het verhaal betrekt als een gevoel van grote intimiteit schept. Het hoofdpersonage – de 'jij ' – verhuist met zijn ouders van het platteland naar de grootstad. Hij heeft geluk want in tegenstelling tot zijn broer en zus kan hij naar school en leert hij lezen. We volgen de jongen op school, op de universiteit en in de stad die week na week aanzwelt en waar hij probeert rijk te worden.
Het boek doet even vermoeden dat dit een nieuwe ‘ De witte tijger’ wordt, slim en satirisch. Maar Hamid gaat verder en al zit er veel woede in zijn boek, deze roman bespeelt tientallen registers. Het is een verhaal over de brutaliteit van het leven, over liefde en verlies. Hamid is zowel briljant in de stille scènes waarin hij de doden beschrijft als in de smerige fragmenten over de corruptie, de omkooppolitiek in de stad. Het liefdesverhaal is aangrijpend en de taal zindert. ‘ Hoe word je stinkend rijk in het nieuwe Azië?' is het beste boek van deze belangrijke auteur die met elke roman verrast. (km)





vrijdag 5 april 2013

Julian Barnes - Levels of Life (De Standaard)


Het leven van zijn hart

In 2008 overleed de vrouw van Julian Barnes na een kort ziektebed. In ‘Levels of Life’ vertelt de schrijver wat hij te weten kwam over de mechaniek van verdriet.

Kathy Mathys

Voeg twee dingen samen die niet eerder werden samengevoegd en de wereld ziet er anders uit, schrijft Barnes. Wat je krijgt, is zoveel meer dan de som der delen. Het is een observatie die niet enkel geldt voor fotografie en ballonvaart, voor de ontmoeting van twee geliefden maar ook voor ‘Levels of Life’ zelf. Trek je dit boek uit elkaar, dan vind je een essay, een kortverhaal en een essayistische memoire, drie delen die door kruisbestuiving iets groots opleveren. De kans dat de aandacht van de lezer vooral uitgaat naar deel drie, waarin Barnes schrijft over het verdriet na de dood van zijn vrouw, literair agente Pat Kavanagh, is groot. Toch zou het zonde zijn om de ballonvaartpioniers uit de eerste helft van het boek over te slaan.
Fabelachtige figuren waren het, die eerste ballonvaarders. Ze lieten zich meedrijven door de elementen ; sommigen verbrandden levend in de lucht. Pas toen luchtballons voorzien waren van een degelijke motor werd het luchtruim een veiligere plek. Kolonel Fred Burnaby, die in de late negentiende eeuw zijn hart verloor aan theaterdiva Sarah Bernhardt, zocht naar manieren om de gevaren van rukwinden en regenvlagen te omzeilen. Barnes beschrijft de romance in de vorm van een kortverhaal met veel dialogen. Wanneer Burnaby Bernhardt ten huwelijk vraagt, antwoordt ze in metaforen. Ze heeft enkel interesse voor een ballonrit in een grillig, windgedreven vaartuig. De gemotoriseerde versie zou haar niet bevredigen. Nochtans is een huwelijk geen rit zonder gevaren en verbranden de inzittenden vaker wel dan niet hun vleugels, lijkt Barnes te zeggen. Elk liefdesverhaal eindigt, haast onvermijdelijk, als een verhaal van verlies. Soms verliest de een, soms de ander, soms staan beiden met lege handen.

Kantelmoment

In het eerste deel van ‘Levels of Life’ beschrijft Barnes op die elegante, soms lichtironische manier van hem, het leven van ballonvaarder, fotograaf en journalist Félix Tournachon, bekend onder de naam Nadar. Hij liet een donkere kamer bouwen in de buik van zijn luchtballon en nam foto’s van de aarde. Het was een kantelmoment waarop de mens zich zag vanuit een ander perspectief, van op afstand. Goede romanschrijvers doen hetzelfde: ze veroorzaken een wervelwind in het hoofd van de lezer, die een heel andere blik krijgt op de dingen. De passages over Nadar blijven hangen in je hoofd en krijgen pas hun volle betekenis wanneer Barnes het heeft over verdriet om de doden. Wie rouwt om een geliefde, beschikt niet meer over het tweevoudige perspectief. De wereld lijkt plots ver weg. De pijn dwingt je je eigen identiteit te herzien: je bent niet langer de mens die je was aan de zijde van de geliefde.

Succesvol rouwen

De metaforen waarvan Barnes zich bedient in de eerste helft van het boek laat hij varen in het laatste deel, waarin hij zijn vrouw onomwonden ‘het hart van mijn leven; het leven van mijn hart’ noemt. Pat Kavanagh overleed in het najaar van 2008 aan een hersentumor, 37 dagen na de diagnose. Barnes schrijft dat hij graag oud was geworden aan haar zijde, dat hij, net zoals Nadar dat deed voor zijn vrouw Ernestine, graag het haar van haar slapen had geveegd.
‘Levels of Life’ doet denken aan rouwboeken van Joan Didion of Connie Palmen, wanneer Barnes de reacties van de buitenwereld beschrijft. Sommigen reageren bot, sommigen zeggen te weinig, anderen te veel. Sommigen zeggen precies wat hij nodig heeft. Elk verdriet is uniek, vindt Barnes, banaal ook. Rouwen, dat doe je naargelang je karakter. Dat geldt ook voor schrijven over rouw: Barnes wachtte lang, veel langer dan Palmen of dan Joyce Carol Oates.
Er is woede om de onverschilligheid van het universum, om de nieuwe cartografie. Oude, geliefde plekjes worden valkuilen waar het verdriet in alle hevigheid opbloeit. Barnes krijgt te horen dat hij geluk heeft: niet iedereen rouwt zo ongecompliceerd en totaal voor een overleden partner. Hij overweegt zelfmoord maar omdat de herinneringen aan zijn vrouw vooral in hem voortleven, zou hij haar doden voor een tweede keer.
Barnes schrijft heel precies, heel doordacht. Dat belet niet dat er woede zit in dit boek, met name in de passages over ‘succesvol rouwen’. Is dat vergeten of juist herinneren? Barnes schrijft dat hij elke dag met zijn vrouw praat en dat die dialoog hem in leven hield de voorbije vier jaar. Voor de ongelovige schrijver is er geen hoop op een hereniging na de dood. De kern van dit boek is somber en biedt weinig troost. Over leven en dood denkt Barnes het volgende: ‘It is all just the universe doing its stuff.’Er is geen patroon, er is enkel willekeurig geven en nemen.
‘Levels of Life’ is meer dan alleen een boek over rouw, over verdriet dat niet afneemt met de jaren. Het is een uitdagende bespiegeling over herinneren, over de manier waarop we verhalen maken van onze levens. In dat opzicht is dit hybride werkstuk de perfecte opvolger voor ‘Alsof het voorbij is’.

****

Julian Barnes – Levels of Life – Jonathan Cape – 117 blz. – 17.99 €.

Over mij

Mijn foto
Als freelance schrijver gaat mijn aandacht vooral uit naar Engelstalige literatuur. Ik recenseer fictie en interview auteurs voor De Standaard der Letteren, Schrijven Magazine. In 2010 zat ik in de jury van De Gouden Uil en in 2011 en 2012 zat ik in de jury van de Ako Literatuurprijs. Daarnaast schrijf ik ook over eten. Vooral de achtergrondverhalen boeien mij. Ik geef lezingen over eten en boeken en interview auteurs voor publiek.Ten slotte geef ik ook cursussen en workshops in creatief schrijven. Zie www.writerskitchen.nl