vrijdag 20 februari 2015

Edward St Aubyn - De Patrick Melrose-romans (De Standaard)

Observeer alles

De tafel is strak gedekt en het bestek gemaakt van zilver, maar er schuilt sadisme en verderf onder het oppervlak in 'De Patrick Melrose-romans', de meesterlijke cyclus van Edward St Aubyn.

Kathy Mathys

Zijn naam hoort thuis in dit rijtje: Marcel Proust, John Williams, Karl Ove Knausgård. Toch is de Engelse Edward St Aubyn bij ons relatief onbekend. Ten onrechte, zo blijkt bij herlezing van de romans over Patrick Melrose, die nu voor het eerst in één band zijn uitgegeven.
Net als Knausgård ontgint St Aubyn het eigen leven voor een romancyclus, al gebruikt laatstgenoemde fictieve namen en is zijn stijl veel minder sober. Beide auteurs zijn schatplichtig aan Marcel Proust: ze ontleden de tijd, herscheppen hun zinnelijke verleden in woorden. St Aubyn heeft het over 'het deerniswekkende verstrijken van de afzonderlijke seconden'. Patrick Melrose zit gevangen in de tijd, die van vroeger en die van nu, de tijd omklemt hem als drijfzand.
Als vijfjarige wordt Patrick Melrose verkracht door zijn vader, een mislukt pianist en niet-praktiserend arts, die dan al zestig is. St Aubyn beschrijft de gruweldaad, die plaatsvindt in het vakantiehuis van de rijke Melroses, één keer maar laat verderop in de cyclus verstaan dat het niet bij dit ene vergrijp bleef.
De setting van het eerste boek 'Laat maar' is als een balsem: de wijngaarden, de vijgenbomen, het water. Er is geen groter contrast denkbaar met de perversiteit van de vader, die ook zijn echtgenote Eleanor kwelt. Zij is een rijke Amerikaanse met wie de verarmde, adellijke vader enkel trouwde om het geld. Eleanor drinkt, lijdt aan angstneuroses en schenkt ruimhartig aan goede doelen. De volwassen Patrick Melrose merkt terecht op dat ze alle kinderen ter wereld wilde redden maar er niet in slaagt het hare te beschermen. Toch is deze cyclus geen afrekening met het ouderpaar. De schrijver waagt zich in de geesten van de vader en de moeder, hij probeert hen te begrijpen.

Valse troost

St Aubyn was aanvankelijk van plan om een trilogie te schrijven. 'Laat maar', 'Slecht nieuws' en 'Wat heet hoop' verschenen snel na elkaar in de eerste helft van de jaren 1990, 'Moedermelk' en 'Eindelijk' respectievelijk in 2006 en 2011.
'Slecht nieuws' is het donkerste van de vijf omdat Patrick Melrose dan een dieptepunt bereikt. Hij zit zwaar aan de drugs en hoort stemmen in zijn hoofd. Aan heroïne, 'zacht en vol als de hals van een houtduif', ontleent hij een valse troost. St Aubyn beschrijft het vinden en missen van aders, het scoren in griezelige buurten. 'Slecht nieuws' is een beklemmende helletocht.
In vergelijking daarmee is 'Wat heet hoop' bijna lichtvoetig. Het verhaal toont de aanloop naar een verjaardagsfeest in adellijke Engelse kringen. Er is zelfs koninklijk bloed aanwezig en St Aubyn amuseerde zich overduidelijk met de creatie van zijn vileine prinses. Na de beklemming van Patrick Melroses obsessieve geest is de dwaaltocht door de vele feestgangershoofden een verademing. Alle boeken bevatten humor en grimmige ironie maar 'Wat heet hoop' is het geestigst. Patrick Melrose is niet langer verslaafd en aan het eind van deel drie vraagt hij zich af of er iets van gemoedsrust voor hem in het verschiet ligt.
'Moedermelk' toont Patrick Melrose als vader. Hij kampt nog steeds met depressies en drinkt teveel maar is 'vastberaden de bron van zijn lijden niet door te geven aan zijn kinderen'. In het laatste deel, 'Eindelijk', begraaft hij zijn moeder. Voor het eerst slaagt hij erin haar tragiek te bevatten in dit fenomenale slotakkoord.
'De Patrick Melrose-romans' zijn geschreven in een stijl die op elke bladzijde begeestert. St Aubyn heeft het over 'gordijnen die opbollen en weer inzakken als verzwakte longen'. Gedachten van kinderen die nog niet kunnen praten omschrijft hij als 'verfspatten op een vel papier'.
Verbijsterend toch hoe deze boeken simultaan geestig, woest, fijnzinnig en aangrijpend zijn. En wat zijn ze op technisch vlak virtuoos, zoals de schrijver van het ene hoofd in het andere glipt.
De gesprekken tussen de personages zijn de ene keer luchtig, de andere keer gaat het over identiteit, vrijheid, herinneren.
Observeer alles: dat droeg David Melrose zijn zoon steeds weer op. Het is schrijnend dat St Aubyns immense observatietalent voortkomt uit een afgrijselijke kindertijd. Toch kunnen wij lezers ons enkel gelukkig prijzen met de ruim achthonderd weergaloze bladzijden die deze romancyclus telt.

*****

Edward St Aubyn - De Patrick Melrose-romans - vertaald door Nicolette Hoekmeijer - Prometheus - 845 blz. - 19.95 €


Eerste zin: 'Om halfacht 's ochtends liep Yvette over de oprit naar het huis, met in haar armen het wasgoed dat ze de vorige avond had gestreken.'

David Mitchell interview (De Standaard)

Minder bang van de dood

Wie een midlifecrisis weet om te buigen tot een luid geprezen boek mag zich een gelukkig man noemen. David Mitchell deed het met Tijdmeters, een roman in zes genres met zes vertellers.

Kathy Mathys

David Mitchell denkt op de lange termijn. In de loop van ons interview heeft hij het meer dan eens over zijn vier of vijf volgende boeken. De man heeft haast, er is geen tijd te verliezen. Hij staat nu eenmaal, naar eigen zeggen, in het midden van zijn leven. De Engelse auteur schreef eerder ondermeer Wolkenatlas, dat qua vormelijke ambitie vergelijkbaar is met Tijdmeters, en het autobiografische Dertien.
Tijdmeters is het tweede deel van zijn zogenaamde Marinus-trilogie, genoemd naar een personage dat het eeuwige leven heeft en eerder voorkwam in Mitchells roman De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet. 'Het derde deel zal volledig in de toekomst spelen. Ik ben er al mee bezig maar wil eerst een ander boek afwerken dat dit jaar nog verschijnt, een verzameling van spookverhalen.'

Heeft een ingewikkeld boek als Tijdmeters  een net zo ingewikkelde ontstaansgeschiedenis?

Het boek vloeit voort uit mijn midlifecrisis. Onze levens zijn begrensd en dat gegeven hield me de laatste tijd bezig. Niet Jupiter was de machtigste god tijdens de antieke oudheid, wel Terminus, de god van de grenzen. Ik word ouder  en daarom wilde ik me in Tijdmeters buigen over mijn sterfelijkheid. Tot nu toe ben ik altijd bang geweest van de dood. Ik vroeg me af of dat ook anders kon.
Het boek is een gedachte-experiment. Aan de ene kant heb je de verhaallijn over Holly Sykes, een gewone Engelse vrouw. Aan de andere kant bevat Tijdmeters een plotlijn over wezens die niet doodgaan. De Anachoreten staan hun ziel af en voeden zich met het vlees van de levenden om de dood te vermijden; de Chronometristen reïncarneren, ze zijn onschuldig en kunnen het niet helpen dat ze steeds terugkeren. Ik vroeg me af of ik dit zou willen. Wanneer je je bewustzijn afstaat, zoals de Anachoreten, ben je niet langer menselijk, dat lijkt me geen benijdenswaardige bestemming.
De Chronometristen vertellen iets over ons. Zij hebben het ene leven na het andere, maar ook wij sterven en worden herboren, zij het dan binnen één leven. Wanneer een van onze ouders sterft, wanneer we vernemen dat we ernstig ziek zijn of een kind krijgen, sterft ons oude ik. We zijn allemaal Chronometristen.

Dacht u vroeger minder na over de dood?

Tenzij je pech hebt, oorlogsreporter of soldaat bent, blijft de dood voor jonge mensen veelal abstract. Ben je midden de veertig en kijk je in de spiegel, dan zie je iets nieuws. Je jeugd is verdwenen. Dat je sterfelijk bent, voel je in je knieschijven en  je longen vanaf dat moment. Ik vind het belangrijk om die sterfelijkheid niet te negeren. Tijdmeters schrijven heeft me daarbij geholpen. Dankzij dit boek weet ik dat de Dood een metgezel is, hij staat ons niet op te wachten aan het einde, hij is er de hele tijd al aan de zijlijn. Ik vind dat niet deprimerend want hij fluistert me in het oor: 'Het leven is kort, verspil het niet. Het is zo voorbij.' En dan heb ik het niet alleen over het maken van kunst. Of we een goede of een slechte dag hebben, ligt dikwijls aan onszelf. Misschien hadden we een ruzie kunnen vermijden door een zin anders te formuleren. Door zachtmoedig te zijn, hadden we een veel mooiere dag gehad dan door te schelden. Ik klink nu als een sentimentele goeroe, niet? En toch is het zo.

Heeft u ooit geloofd in een leven na de dood?

Als kind nam mijn moeder me mee naar de kerk maar vanaf mijn vijftiende kwam ik daartegen in opstand. Ik heb me erbij neergelegd dat ik een atheïst ben. Soms benijd ik gelovigen om de manier waarop ze in het leven staan. Ik wou dat ik het kon. Ondanks mijn atheïsme denk ik na over wat er rest van een mensenleven na de dood. Om artistieke onsterfelijkheid geef ik niet want je kan er als kunstenaar toch niet van genieten vanuit je graf. Standbeelden zeggen me net zo min iets, niemand kijkt er naar en duiven schijten ze vol. Toch is er een vorm van onsterfelijkheid die mij aanspreekt. Wanneer iemand iets vertelt dat ons wijzer laat worden, dan leeft die verteller in ons voort. Het kan om kleine dingen gaan. Elke keer wanneer mijn vrouw roept dat het eten klaar is, moet ik denken aan een verhaal van A.S. Byatt. Daarin schrijft ze dat het grof is tegenover de kok om niet meteen aan tafel te komen wanneer het eten geserveerd wordt. Dat soort opmerkingen leven in me verder, of een gesprek met een leraar Engels van jaren geleden.

U heeft al duizenden bladzijden geschreven. Het is moeilijk voor te stellen dat u het gevoel heeft tijd te hebben verspeeld.

Vergeleken met sommigen heb ik nog niets bereikt. Niet dat ik mezelf met anderen wil vergelijken, maar toch. Ik wil veel en ik wil telkens iets anders. Ik had ook een boek kunnen schrijven waarin elk hoofdstuk verteld is vanuit Holly Sykes, maar dat soort boeken zijn er al. Er is geen boek zoals Tijdmeters. In elk hoofdstuk probeer ik de essentie van de tijdgeest te vatten: in het eerste deel gaat het om de strijd tussen socialisme en neo-kapitalisme. In het tweede krijg je de triomf van het neo-kapitalisme, de ouders van Hugo zijn rijke bankiers. Het derde deel gaat over Holly's man, een oorlogsjournalist in de jaren na 11 september 2001. Deel vier gaat voor mij om de impact van social media. In vijf zit er te veel actie om iets te vertellen over de tijdsgeest, zes gaat over de toekomst van onze planeet.
Tijdmeters is een vreemd artefact met in elk hoofdstuk een nieuwe verteller en een nieuw genre. Die genres in één boek samenbrengen en er een geheel van maken dat niet ontploft:  dat soort uitdagingen zoek ik op. Niet iedereen vindt de mix van realisme, pastiche, fantasy geslaagd. Ik denk dat het wel werkt.

Ziet u zichzelf als iemand die de roman heruitvindt?

Nee, ik ben enkel de schrijver van de boeken die ik heb geschreven, meer niet. Die vormexperimenten hangen samen met mijn persoonlijkheid. Ik kan enkel opgewonden geraken over een schrijfproject als ik naast schrijver ook uitvinder mag zijn. Is dat niet toegestaan, dan zou ik niet schrijven, dan zou ik een baantje nemen in een winkel of zo.

Hoe reageren lezers op het fantasy-deel in de roman?

De reacties zijn gemengd. Voor sommigen ben ik niet langer een literaire schrijver omdat ik me aan dit genre waag. Er was een Amerikaans journalist die me, heel betuttelend, een schouderklopje gaf en zei: 'Niet meer doen hoor, fantasy schrijven.' Ik kan best tegen kritiek, het was de manier waarop hij het zij die me niet aanstond. De taal is lastig voor sommige lezers, het verzonnen jargon. Voor hen is het een muur waar ze niet doorheen kunnen.
Ik bereid de lezer heel geleidelijk voor op de fantasy-knal in hoofdstuk vijf. Ken je die legende over de kikker die uit de pan springt wanneer je hem in kokend water gooit? Wanneer je de hitte geleidelijk opvoert, merkt de kikker niet dat hij langzaamaan gekookt wordt. Jullie zijn mijn kikkers. Dat neemt niet weg dat er gevoelige kikkers zijn, die toch niet goed tegen de langzaam oplopende hitte kunnen. Ik snap het heus wel.

Ik hield van de rust van het laatste hoofdstuk, na het fantasy-geweld. Had u dit slot in het begin al voorzien?

Ik ben een planner maar onderweg verandert er veel. Over het slot had ik al vroeg een idee. Ik besef nu dat het een vreemd slot is want ik lijk er de rest van het boek mee te ontkrachten. Wat is de zin van eeuwig leven als de toekomst van de wereld zelf op het spel staat? Ik vind het wel mooi dat die paradox in het boek zit.
In het laatste hoofdstuk, dat in 2043 speelt, is de wereld onherkenbaar geworden. Dat is over minder dan dertig jaar. Ik acht die ontwikkeling waarschijnlijk, al ben ik geen profeet die de toekomst voorspelt. Onze energiebronnen geraken opgedroogd, het zou zomaar kunnen. We zijn verslaafd aan olie en we zitten nog steeds in de ontkenningsfase. Ik heb eerder over die thema's geschreven maar nooit op een manier die zo realistisch is.
Een van de personages draagt poëzie voor in de donkerste uren. Het vertellen van verhalen en het reciteren van gedichten blijft bestaan, wat er ook gebeurt. Mensen hongeren ernaar. Misschien komt er een moment waarop er geen tablets meer zijn maar de literatuur zal niet verdwijnen. Dankzij verhalen hebben we toegang tot de gedachten van iemand die eeuwen geleden is gestorven. Is dat niet wonderlijk?


David Mitchell – Tijdmeters – vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema – Nieuw Amsterdam Uitgevers – 591 blz.

vrijdag 30 januari 2015

Vogelvlucht (De Standaard)


Foto: Andrew Smiley
Telkens wanneer ik een sinaasappel eet, denk ik aan Julia Blackburn. In een van haar boeken beschrijft ze haar vreugde om een sinaasappel die ze cadeau kreeg van een vriendin. De vrucht is een glanzend juweel voor de schrijfster en nu dus ook voor mij. 
Toen ik Blackburn in 2011 ontmoette, praatten we over sinaasappelen, over eenvoud en over haar man, de Nederlandse kunstenaar Herman Makkink, die toen al ziek was. In oktober 2013 stierf hij. Fluisteringen van liefde, smart en spreeuwen (De Bezige Bij - 16.90 €) is een gedicht dat Blackburn schreef drie maanden na zijn overlijden. Het boek bevat zowel de Engelstalige als de vertaalde versie.
De bundel opent met de woorden van Augustinus die in Belijdenissen schreef over de drie tijden in het leven. Bij het verleden horen herinneringen, bij het heden hoort de beleving en de toekomst gaat om verwachtingen. Sterft een geliefde, dan komt die indeling op wankele poten te staan. Gedachten aan een toekomst bedrukken en het heden wordt ingepalmd door angst, verdriet en herinneringen.
Blackburn vindt troost in het woord:

Ik vertel mezelf vaak
Hoe het gegaan is
Om van die laatste uren
Een pad van woordjes te maken
Dat ik kan volgen
Stap voor stap.

Ze vindt troost bij de spreeuwen die op winteravonden hun dans uitvoeren in de lucht. Behalve het gedicht staan in deze bundel foto's van Andrew Smiley die de vogels fotografeerde in Suffolk, waar de schrijfster woont. Het land op de beelden is zwart als teer, de luchten variëren van grauw naar lichtgrijs met roze vegen erdoorheen. De vogels doen abstract aan, het lijken gekalligrafeerde letters of rookpluimen. Ze doen me denken aan de spreeuwendansen waar ik als kind naar keek in de moestuin van mijn grootvader. De zwermen riepen verwondering op, maar ook iets waarvoor ik de woorden niet wist. Zo omschrijft Blackburn dit gevoel:

Spreeuwen helpen,
Zoals ze een trekkende beweging maken tussen het vieren van het leven
En het verwijzen naar ongeziene dingen

De gedachte aan spreeuwen kalmeert Blackburn bij het wakker worden, wanneer ze denkt: hij is dood.
En dan is er de troost van de herinnering aan een avondwandeling met haar man. Duizenden spreeuwen hielden zich schuil in het riet. Ik moet denken aan Vasalis, die een goede vriendin was van Blackburn. In het gedicht Onweer in het moeras schreef ze dit:

In de hemel hangen zware
violet gekleurde wolken.
Niets verraadt de gele schare
vogels, die het riet bevolken.


Kathy Mathys

woensdag 28 januari 2015

Het grote herschrijven

Het is fijn herschrijven met de mooie notitieboeken van /www.mofelitopaperito.com/!




dinsdag 27 januari 2015

dinsdag 13 januari 2015

Colm Tóibín – Nora Webster ( De Standaard)

Een doodgewoon leven

Op 5 januari wordt de Costa Novel Award uitgereikt. 'Nora Webster' van Colm Tóibín zou een verdiende winnaar zijn.

Kathy Mathys

Dit is het boek waar hij jarenlang omheen cirkelde, het meest nabije, het meest autobiografische. In 'Nora Webster', zijn achtste roman, schrijft Colm Tóibín over wat er gebeurde na de dood van zijn vader. In het landelijke zuidoosten van Ierland bleef zijn moeder achter met vier kinderen. Dit is geen autobiografie en dat laat Toíbín toe om vanuit de moeder te schrijven, al blijft hij op enige afstand van haar en schrijft hij in de derde persoon.
Het is eind 1960 en we volgen Nora tijdens de eerste drie jaren van haar weduwschap. In het begin van het boek krijgt ze bezoek van een personage uit 'Brooklyn', een eerdere roman van de Ierse schrijver. De moeder van Rose en Eily Lacey is een van de velen die haar medeleven betuigt na de dood van Maurice Webster.  Onder het medeleven gaat iets anders schuil, nieuwsgierigheid en een neiging om de weduwe de controle uit handen te nemen. Nora voelt zich behandeld als een kind, iedereen wil dingen voor haar regelen in het dorp waarvan ze alle inwoners kent, tot de hen toegewezen plek op het kerkhof toe. Wie uit de band springt, al is het maar met een ongebruikelijk kapsel, wordt in de gaten gehouden. Toch is de bemoeienis niet altijd een aanslag op Nora's vrijheid, er zijn momenten waarop de tussenkomst van anderen haar redt.
Tóibín beschrijft ze in de meest eenvoudige en onversierde taal, de kloosterzuster en dorpsvrouwen die Nora volgen, in een stijl die vergelijkbaar is met die van 'Brooklyn'. Wel is er veel minder sprake van een klassieke plot. Tóibín registreert kleine en grote crisissen: het tergende bezoek aan een tante, de confrontatie met een schoolhoofd, ruzie op kantoor. Wonderlijk is het hoe Tóibín de lezer zo intens laat meeleven zonder toegiften te doen aan de vraag om conventionele spanning.

Muziek

Tóibín heeft ooit gezegd dat de roman voor de lezer moet aanvoelen als een aanslag op het zenuwstelsel, emotionele vervoering is wezenlijk voor hem. Een van de vele troeven van dit boek is de beschrijving van de relatie tussen de moeder en haar zonen, Donal en Conor. De dochters zijn het huis al uit, dus het zijn vooral de zonen die de moeder scherp in de gaten houden, die panikeren bij de minste verandering. Donal is de fictionele versie van Tóibín, een jongen die moeizaam met zijn moeder communiceert, die stottert sinds de dood van zijn vader en experimenteert met zwart-witfotografie. De moeder zit opgesloten in haar verdriet dat ze probeert te verbergen voor haar zonen. Ze praten niet over de vader en toch zijn er momenten van stilzwijgende communicatie over hun leed, zoals de magische scène waarin de drie naar de oude Hollywood film 'Gaslight' kijken en iets herkennen in de angst van Ingrid Bergman.
Toíbín brengt geen lange gedachtestromen van de moeder, daardoor komen observaties die ons laten peilen naar de intensiteit van haar pijn keihard aan: 'Maar er waren geen andere dingen. Er was enkel datgene wat gebeurd was.'
Dit is geen deprimerend boek en het is ook geen boek over de veerkracht van de mens. Er zit humor in en verdriet, hoop en berusting, woede en uitgelatenheid. Nora keert terug naar het kantoor waar ze werkte voor haar huwelijk met een leraar, een plek die ze verfoeit en die laat zien hoe arrogant Nora bij momenten is Voor het eerst in haar leven neemt ze beslissingen zonder Maurice te raadplegen. Sommige voelen verkeerd aan, andere zijn als heet badwater waaraan je moet wennen voor het zijn weldaad openbaart. Nora ontdekt muziek, ze heeft een karakteristieke stem en neemt zanglessen, ze koopt een platenspeler, luistert naar Brahms en Schubert. Muziek is zowel verrijkend als confronterend: ze bedenkt dat haar leven thuis berust op toevalligheden, het is veel onstandvastiger dan de trefzekere tonen van de cello.
In de tweede helft van roman spelen de politieke omwentelingen in Noord-Ierland een rol op de achtergrond. Een van Nora's dochters is politiek geëngageerd. Nora leest de kranten, leeft mee, maar ze is geen politiek beest, zoals haar man.
Heel geleidelijk, onzichtbaar haast, trekt ToibÍn zijn hoofdpersonage uit het moeras van haar verdriet. Het slothoofdstuk waarin Nora terugdenkt aan het sterfbed van haar moeder behoort tot het beste dat Tóibín heeft geschreven.
In 2009 won Tóibín de Costa Novel Award voor 'Brooklyn', benieuwd of hij dit kan overdoen. Ook Ali Smith zou de prijs verdienen, zij is genomineerd voor 'How to be both'. De twee andere genomineerden zijn Neel Mukherjee met 'The Lives of Others' en Monique Roffey met 'House of Ashes'.

****


Colm Tóibín – Nora Webster – Penguin – 310 blz. - volgend jaar verschijnt de Nederlandse vertaling bij De Geus.

Maggie Shipstead – Verbaas me (De Standaard)

Het grote offer

Compact, ingehouden en virtuoos: de tweede roman van de Amerikaanse Maggie Shipstead is een overtuigende verkenning van de balletwereld.

Kathy Mathys

Verbaas me: Sergej Diaghilev daagde ooit met deze woorden Jean Cocteau, decorontwerper voor Les Ballets Russes, uit. Enkel wie anderen verbaast, bereikt de top; enkel wie zijn klauwen in het vel van de toeschouwer weet te slaan, beklijft. Joan Joyce is geen topper, ze behoort tot het corps de ballet, dat in de schaduw van de ster staat. Haar vriendin Elaine schopt het wel tot soliste. In Parijs ziet de jonge Joan, dan nog niet doordrongen van de beperkte contouren van haar talent, vanuit de coulissen Arslan Roesakov dansen, de Russische ster met wie ze een korte, voor haar levensbelangrijke, affaire krijgt. Later helpt Joan de Rus over te lopen naar het Westen.
Shipstead vertelt haar verhaal niet chronologisch, ze brengt fragmenten uit levens die verbonden zijn met elkaar door een liefde voor ballet. De vroegste stukken spelen in 1977, de meest recente in 2002. Joan is er van overtuigd dat haar lichaam haar belangrijkste bezit is op aarde. Wanneer ze stopt met haar carrière als prof voelt dat als een amputatie. Ze trouwt met jeugdvriend Jacob, die haar altijd al wilde, krijgt een zoon, Harry, en het gezin verhuist naar een flinter anonieme kuststrook in Californië.

Hazewind

Shipstead verbeeldt de balletwereld niet als een sprookjeslandschap zoals in de filmklassieker 'The Red Shoes' van Michael Powell en Emeric Pressburger. De beschrijvingen van de repetities en optredens doen veel meer denken aan die andere bekende balletfilm, 'Black Swan'. Joan houdt de lichamen van haar collega's scherp in de gaten, de dansers beloeren elkaar als roofdieren. Ze hebben kapotte tenen, zien eruit als hazewinden 'een en al botten en spieren'. Het in- en uit schuiven van voeten, balletschoenen die over de vloer vegen, de loopjes en passen: Shipstead roept dit universum met verve op, met zelfbeheersing. Net als in de choreografieën die ze neerzet, houdt ze de teugels strak om ze af en toe te laten vieren.
Dit is een roman over het lichaam, het dansende lichaam, het vrijende lichaam, het moederlichaam. In een handvol woorden laat Shipstead zien hoe Joans pragmatische keuze voor Jacob muteert en uitgroeit tot echte liefde. Jacob lijkt aanvankelijk de goeierd en toch is zijn liefde voor Joan niet helemaal onvoorwaardelijk. Wanneer ze stopt met dansen en balletles gaat geven, moet hij meer moeite doen om haar te adoreren.
De buren van Jacob en Joan heb een dochter die, net als Harry, uitstekend danst. Het lijkt wat veel toeval, zoveel ballettalent op een kluitje en toch weet Shipstead het overtuigend te brengen. Ze vertelt haar verhaal telkens vanuit een ander perspectief, we leren de dochter van de buren kennen en Elaine, die altijd verliefd is geweest op meneer T, de choreograaf die haar ontdekte en roem bezorgde. In latere fragmenten zorgt Elaine voor een aan aids lijdende meneer T, sterke passages zijn dat.

Soepel

Shipstead weet de subtiele modulaties in de vriendschap tussen Joan en Elaine precies te vangen, ze zet hen neer binnen een landschap dat geschapen is voor hun lichamen: in de blakende Californische zon, bij het blauw van het water.
Arslan Roesakov, losjes gebaseerd op Mikhail Baryshnikov, wordt Harry's leermeester en alles wijst erop dat de moeder haar droom zal kunnen waarmaken via haar zoon.
Dit is een roman over een bekend thema: hoeveel offer je op voor je droom? Is schitteren op het wereldtoneel belangrijker dan een gelukkig gezinsleven? Shipstead gaat op een bruisende manier met deze onderwerpen aan de slag in een stijl die niet protserig is, wel voldoende beelden bevat die nazinderen. De ballerina's 'hebben zichzelf gereduceerd tot de hoogst noodzakelijke stangen en zuigers', schrijft ze, of 'Hun bloed stroomt vrij door hun aderen, alsof die door het optreden zijn schoongeveegd'.
Eerder verkende Shipstead een ander milieu waarin strenge sociale codes gelden, dat van de rijken in New England. 'De vooravond' was een zedenkomedie, bekroond met de Dylan Thomas Prize'. 'Verbaas me' bevestigt Shipsteads soepele talent.

****

Maggie Shipstead – Verbaas me - vertaald door Saskia van der Lingen - De bezige bij - 315 blz. - oorspronkelijke titel: Astonish Me.


Over mij

Mijn foto
Als freelance schrijver gaat mijn aandacht vooral uit naar Engelstalige literatuur. Ik recenseer fictie en interview auteurs voor De Standaard der Letteren, Schrijven Magazine. In 2010 zat ik in de jury van De Gouden Uil, in 2011 en 2012 in de jury van de Ako Literatuurprijs. In 2015 jureer ik voor de ANV Debutantenprijs. Ik schrijf ook graag over eten. Vooral de achtergrondverhalen boeien mij. Ik geef lezingen over eten en boeken en interview auteurs voor publiek. Verder geef ik cursussen en workshops in creatief schrijven (zie www.writerskitchen.nl). Ik ben als docent verbonden aan De Schrijversacademie (www.schrijversacademie.nl). In 2015 verschijnt mijn eerste boek 'Smaak - Een persoonlijke zoektocht'' bij De Bezige Bij Antwerpen.