Mijn boek:

Mijn boek:
In april 2015 verschijnt mijn eerste boek: Smaak. Een bitterzoete verkenning

maandag 16 maart 2015

Eimaer McBride interview (De Standaard)

Schrijven zonder valhelm

Met 'Een meisje is maar half af' slaagt Eimear McBride erin de Ierse roman opnieuw uit te vinden. Naar aanleiding van de prachtige Nederlandse vertaling is de schrijfster te gast in Antwerpen.

Kathy Mathys

'Voor jou. Je krijgt binnenkort. Jij mag een naam bedenken. Wat jij nu zegt draagt ze haar hele leven met zich mee. Mama ik? Ja jij.' Zo begint 'Een meisje is maar half af', het debuut van Eimear McBride, winnares van de Baileys Women's Prize for Fiction. Tijdens het lezen van de eerste bladzijden voelt de grond wankel onder je voeten. Het lijkt wel alsof McBride een nieuwe taal heeft gesmeed om haar verhaal te vertellen. Veel zinnen zijn onaf, brokstukken zijn het, flarden. De schrijfster neemt je mee naar het diepe binnenste van een half af meisje. Haar broer is terminaal, ze wordt verkracht door een oom. McBride volgt haar tot ze volwassen is.
'Ik schrijf al sinds ik kan lezen, vanaf mijn derde,' vertelt ze. 'Toen ik een tiener was, probeerde ik de stemmen van andere schrijvers te imiteren, een tweede 'Dood in Venetië' te schrijven. Daarna studeerde ik aan het Drama Centre en het was pas in 2000 dat ik ervan overtuigd was dat ik moest schrijven in plaats van te acteren. Dat inzicht overviel me toen ik vier maanden alleen in Sint-Petersburg verbleef. Mijn broer was het jaar daarvoor gestorven en ik bevond me op een kruispunt in mijn leven. Ik besefte dat ik niet wilde acteren en dat was traumatiserend want ik had altijd gedacht dat ik actrice zou worden. Wie was ik dan wel?'
McBride keerde terug uit Sint-Petersburg en vanaf dan stond ze jarenlang om vijf uur op om meters te maken. Ze probeerde veel uit, geen van haar manuscripten was langer dan vijftien bladzijden. Ze kreeg een gouden kans, toen haar man een flink pak geld ontving om een theaterstuk te regisseren in Japan: 'Dankzij zijn honorarium hoefde ik enkele maanden niet te werken en had ik tijd om te schrijven.'
Vlak voor het koppel naar Japan vertrok, werd er bij hun ingebroken en verdween McBrides handtas met daarin alle notities die ze twee jaar lang maakte. Destijds was het een catastrofe voor haar, ze had niets op computer staan. Nu kijkt ze er anders tegenaan: 'Toen ik terugkwam uit Japan, moest ik gewoon beginnen van nul. Mijn oorspronkelijke idee heb ik laten varen. Drie weken na mijn terugkeer schoten de openingswoorden van 'Een meisje is maar half af' door mijn hoofd en ik wist meteen dat ik iets waardevols in handen had.'

Uw boek is onconventioneel. Ging u van de ene op de andere dag zo schrijven?

Nee, dat ging geleidelijk, ik dreef steeds meer weg van een klassiekere aanpak. Ik wilde de lezer een andere leeservaring bieden: fysiek, onintellectueel. Ik wilde een boek dat zo direct binnenkomt bij de lezer dat het is alsof er geen schrijver aan te pas kwam. Een aanslag op het zenuwstelsel, zoiets had ik in gedachten. Zin na zin, zo pakte ik het aan. Ik had niets, geen plot, geen personages. Toch volgde ik mijn instinct.

Sommigen vergelijken uw proza met dat van James Joyce of Virginia Woolf met hun lange gedachtestromen. Wat vindt u daarvan?

Ik vind het geen stream of consciousness, zelf noem ik het stream of pre-consciousness. Ik probeer de menselijke ervaring te beschrijven voor er taal aan te pas komt. Ik wil de wereld beschrijven zoals die er uitziet voor een mens die nog geen woorden kent om de dingen te benoemen. Bij Joyce en Woolf draait alles om gedachtestromen, ik probeer net weg te blijven van de gedachten van het personage. Ik wil dat de lezer alles rechtstreeks ervaart, dat er geen scheiding is tussen lezer en personage. Ik wilde niet dat de lezer haar zou beoordelen.
Ik heb altijd gehouden van boeken die me een stomp in de maag geven, van verhalen die me het gevoel geven dat er voor de auteur iets op het spel stond tijdens het schrijven. Zo schrijf ik ook, ik wil risico's nemen, wil niet weten waar ik zal uitkomen.
Ik liet het boek aan weinig mensen lezen tijdens het schrijfproces.  Ik was bang dat reacties me zouden ontmoedigen, ik voelde me erg kwetsbaar. Toen ik het naar uitgeverijen opstuurde, bereidde ik me voor op afwijzingen en die kwamen er, de ene na de andere. Aan het boek twijfelde ik niet, ik wist dat het de juiste vorm had. Misschien was het niet mooi, maar het was wel wat het moest zijn.

Negen jaar duurde het voor u een uitgever vond. Hoe heeft u die periode overleefd?

Geen van de uitgevers vertelde me dat ik geen schrijver was. Ik kreeg overal te horen dat de stijl een te grote hobbel vormde, dat geen lezer het zou volhouden tot de laatste bladzijde. Een uitgever stelde voor om het te presenteren als een autobiografie. Belachelijk natuurlijk, het is geen autobiografie, ook al heb ik er mijn bloed ingepompt. Verder heb ik ook een probleem met de notie dat waargebeurde verhalen authentieker zouden zijn dan fictie.
Na enkele jaren stopte ik het manuscript in een lade en legde me erbij neer dat het nooit gepubliceerd zou worden. Ik was er kapot van. Ik voelde me een mislukkeling, zag er tegenop om tegen mensen te zeggen dat ik schrijver was, ook al had ik niets gepubliceerd. Ik begon aan mezelf te twijfelen, vroeg me af of ik niet een of andere opleiding moest volgen. Die radeloze periode ging voorbij. Ik dacht: ik ben een schrijver, hoe dan ook. Daarna begon ik met mijn tweede roman en vanaf dan ging alles makkelijker. Galley Beggar, een kleine onafhankelijke uitgeverij, is het avontuur met me aangegaan. Ik kreeg enkele positieve recensies in kwaliteitskranten en daarna volgden de prijzen.

Uw roman is grensverleggend op stilistisch vlak. Wou u ook op inhoudelijk vlak nieuw terrein verkennen?

Het boek is op veel vlakken typisch Iers. Toen ik het schreef, verzette ik me daartegen. God, ik wil niet zo'n Ierse roman schrijven over familie, misbruik, seks en de dood, dacht ik. Uiteindelijk besefte ik dat dit mijn thema's waren, maar ik zou ze op een nieuwe manier verkennen. In het Ierse sociaalrealisme zijn vrouwen bijna altijd het slachtoffer, ze worden geslagen door hun man die teveel drinkt, moeten de ene na de andere zwangerschap doorstaan. Veelal draait het in hun leven om de zoektocht naar een man die al hun problemen oplost. Dat wilde ik niet, mijn roman is geen liefdesverhaal. Mijn personage gebruikt seks als een manier om controle te krijgen over haar leven, dat vind je niet vaak in Ierse fictie. Ze is verkracht op haar dertiende en toch gebruikt ze seks als machtsmiddel. Seks betekent ook vrijheid voor haar. Mijn personage is niet passief, ze maakt bewuste keuzes en dat was belangrijk voor mij.

Heeft u opleiding als actrice invloed op het schrijven?

Ja, ik ben getraind als method actor, volgens de Stanislavski-methode en dat had een grote impact. Theater werkt heel anders dan fictie. Een personage op het toneel voelt en ervaart veel simultaan: of hij honger heeft, of het te warm is in de kamer, of hij moet reageren op wat iemand net zei. Als theaterregisseur kan je dit alles in één moment laten zien, als romanschrijver niet. Eerst vertel je het ene, dan het andere, dan weer iets nieuws. Ik wou de volle levenservaring op een andere manier laten zien, niet zin na zin. Dat heb ik geprobeerd in dit boek.

Is er in de hedendaagse literatuur nog ruimte voor het traditionele vertellen?

Ik heb er geen geduld voor, lange beschrijvingen vervelen me. Ik snap wel waarom victoriaanse schrijvers de wereld in zoveel details vastlegden: de lezers waren niet vertrouwd met de dingen waarover ze lazen, de schrijver moest de beschreven wereld tot leven wekken. Nu zijn er foto's, films, lezers vinden alles op het internet. Ik geloof dat er nu voor de roman een andere taak is weggelegd, hij dient de menselijke ziel in kaart te brengen. Geen enkele kunstvorm kan de menselijke ervaring zo genuanceerd en diepgravend verkennen als de roman. Daar ligt zijn essentie.
Begrijp me niet verkeerd, als het goed gedaan is, kan sociaalrealistische fictie me wel bekoren. Alleen is de menselijke ervaring, beschreven in dat soort boeken, vaak te slap, een aftreksel van de werkelijkheid. Daar heb ik iets tegen.

Onderschatten uitgevers hun lezers?

Volgens mij wel. Ik zeg niet dat lezers elke dag een boek zoals het mijne willen lezen. Het is nu eenmaal een lastige roman, het vraagt om een inspanning. Maar lezers willen niet enkel verhalen die ze in enkele happen kunnen wegwerken. Dat mijn boek zo goed verkoopt, doet me plezier en ja, ik geniet van de gedachte dat veel grote uitgevers nu vloeken omdat ze mij destijds afwezen.
Sommige lezers vertellen me dat mijn boek geweldig is én extreem verontrustend. Een mooier compliment kan ik me niet voorstellen. Toch is niet iedereen er blij mee. Sommigen vinden het jammer dat er weinig hoop in zit. Waarom moeten boeken per se hoopvol zijn? Mijn ouders werkten allebei als psychiatrisch verpleger en ik groeide op met het idee dat hoop en geluk allerminst vanzelfsprekend zijn. Toch interesseert geluk me, dat wordt zelfs het thema van mijn volgende roman.

****

Eimaer McBride - Een meisje is maar half af – Hollands Diep – 255 blz. - vertaald door Gerda Baardman.




woensdag 11 maart 2015

Jenny Offill -Verbroken beloftes (De Standaard)

Snapshots van de ziel

Speels, virtuoos en trillend van de vitaliteit: Jenny Offill schreef een prachtroman.

Kathy Mathys

Vijftien jaar geleden debuteerde de Amerikaanse Jenny Offill met 'Last Things'. Haar roman werd met applaus ontvangen en daarna bleef het stil. Dat feit heeft de schrijfster van 'Verbroken beloftes' gemeen met het hoofdpersonage in haar roman. De naamloze ik-verteller heeft een boek gepubliceerd en komt niet toe aan een tweede. Ze wil niets liever zijn dan een 'kunstmonster', dat zich niet bezighoudt met het alledaagse. Offill schrijft: 'Nabokov klapte niet eens zijn eigen paraplu in. Vera likte zijn postzegels voor hem.'
De verteller heeft een post-it boven haar bureau hangen met daarop de woorden 'WERK GEEN LIEFDE', maar de liefde dient zich toch aan in de vorm van een aardige jongen zonder stekels, eentje uit het Midwesten van de Verenigde Staten. Hij houdt van het buitenleven en van sterren kijken. De twee krijgen een dochter en ervaren hoe het is om een huilbaby in huis te hebben. Zij ontwijkt het boze oog van de perfecte moeders aan de schoolpoort, hij zet zijn ambities als geluidkunstenaar opzij om te werken in de reclamewereld.
Het klinkt banaal haast, zoals ik de dominostenen die het verhaal vormen uitstal en dat is Offills boek nu net niet. Zo gewoontjes als de verhaallijn aandoet, zo avontuurlijk en sprankelend is de vorm. Offill dikt in: op eenzelfde bladzijde schrijft ze over het verlies van een ongeboren baby én over een nieuwe zwangerschap. Ze schrijft in korte paragrafen, sommige tellen een, twee regels. Tussen alle paragrafen staat een witregel. De vertelster laat veel weg en ze associeert, springt van het ene onderwerp naar het andere.
Een voorbeeld:

'Een paar dagen later ziet het kindje water uit de tuinslang komen en we horen haar lachen.

Op dit moment lijkt mijn hele leven te zijn samengevat in één wonderbaarlijk ogenblik. Dit zei de eerste man in de ruimte.'

In dit boek laat een regel over een klodder babykots zich moeiteloos combineren met een vers uit Rilke of een wetenschappelijk feit. Het resultaat is uitermate opwindend en grappig. Wanneer je 'Verbroken beloftes'  leest, lijkt het alsof er iemand onder je hersenpan zit te morrelen en dat voelt vreemd en spannend.

Authentiek en rauw

We weten weinig over de vrouw en haar achtergrond. Ze lijdt aan een depressie, neemt pillen, doceert creatief schrijven, verloor op jonge leeftijd haar moeder. 'Zou dat mijn hersenen in orde maken?' vraagt ze zich af over het betoverende landschap van Capri.
Het personage doet denken aan die uit de verhalen van Lydia Davis, scherp observerend, bedolven onder angsten, geestig en slim. Sommige individuele paragrafen lezen ook als Davis-achtige kortverhalen.
 Offill vertelt een verhaal van liefde en gebroken harten. Hoe doe je dat op een originele manier? Door te spelen, door te samplen, door ervoor te zorgen dat de afstand tussen een aardse voordeur en een verre planeet in één witregel valt te overbruggen.
'Antilopen zien tien keer beter dan wij, zei je.' Zo begint de relatie tussen de ik en haar geluidskunstenaar. Dan gaat het fout, hij krijgt een ander. Ze probeert yoga, verzamelt verhalen over ruimtevaarders, raadpleegt het overspelboek.
'Gebroken beloftes' is niet enkel briljant en gevat. De schrijfster slaagt erin om te emotioneren en dat is een hele kunst voor een versplinterd verhaal als dit. Offill laat de lezer niet wegkruipen in het boek, daarvoor is het oncomfortabel. Wel gaat ze voor extreme openheid en authenticiteit. Soms leest dit werk als een dagboek, zo rauw is het.
Terwijl een andere schrijver vijf hoofdstukken nodig heeft om te laten zien hoe een kind opgroeit, doet Offill het zo:

'Ik ben dol op het najaar,' zegt ze. 'Moet je die prachtige bladeren eens zien. Het voelt vandaag ook als najaar. Vind jij het najaar ook het fijnst?' Ze blijft stilstaan en trekt aan mijn mouw. 'Mammie! Je let niet op. Ik gebruik een nieuw woord. Ik zeg nu "najaar" in plaats van "herfst".'

Dit is een boek over hoe huwelijken 'met kauwgom en draad en touwtjes' worden bijeengehouden, over de man die de hersenactiviteit van emotionele mensen fotografeerde en over de 'sombere hondengeur' van een te lang gedragen trui.
Het is pas vroeg in het jaar en toch is de kans groot dat 'Verbroken beloftes 'een van de toppers wordt uit 2015.

****


Jenny Offill -Verbroken beloftes – vertaald door Roos van de Wardt- 189 blz. - oorspronkelijke titel: Dept. of Speculation. 

vrijdag 20 februari 2015

Edward St Aubyn - De Patrick Melrose-romans (De Standaard)

Observeer alles

De tafel is strak gedekt en het bestek gemaakt van zilver, maar er schuilt sadisme en verderf onder het oppervlak in 'De Patrick Melrose-romans', de meesterlijke cyclus van Edward St Aubyn.

Kathy Mathys

Zijn naam hoort thuis in dit rijtje: Marcel Proust, John Williams, Karl Ove Knausgård. Toch is de Engelse Edward St Aubyn bij ons relatief onbekend. Ten onrechte, zo blijkt bij herlezing van de romans over Patrick Melrose, die nu voor het eerst in één band zijn uitgegeven.
Net als Knausgård ontgint St Aubyn het eigen leven voor een romancyclus, al gebruikt laatstgenoemde fictieve namen en is zijn stijl veel minder sober. Beide auteurs zijn schatplichtig aan Marcel Proust: ze ontleden de tijd, herscheppen hun zinnelijke verleden in woorden. St Aubyn heeft het over 'het deerniswekkende verstrijken van de afzonderlijke seconden'. Patrick Melrose zit gevangen in de tijd, die van vroeger en die van nu, de tijd omklemt hem als drijfzand.
Als vijfjarige wordt Patrick Melrose verkracht door zijn vader, een mislukt pianist en niet-praktiserend arts, die dan al zestig is. St Aubyn beschrijft de gruweldaad, die plaatsvindt in het vakantiehuis van de rijke Melroses, één keer maar laat verderop in de cyclus verstaan dat het niet bij dit ene vergrijp bleef.
De setting van het eerste boek 'Laat maar' is als een balsem: de wijngaarden, de vijgenbomen, het water. Er is geen groter contrast denkbaar met de perversiteit van de vader, die ook zijn echtgenote Eleanor kwelt. Zij is een rijke Amerikaanse met wie de verarmde, adellijke vader enkel trouwde om het geld. Eleanor drinkt, lijdt aan angstneuroses en schenkt ruimhartig aan goede doelen. De volwassen Patrick Melrose merkt terecht op dat ze alle kinderen ter wereld wilde redden maar er niet in slaagt het hare te beschermen. Toch is deze cyclus geen afrekening met het ouderpaar. De schrijver waagt zich in de geesten van de vader en de moeder, hij probeert hen te begrijpen.

Valse troost

St Aubyn was aanvankelijk van plan om een trilogie te schrijven. 'Laat maar', 'Slecht nieuws' en 'Wat heet hoop' verschenen snel na elkaar in de eerste helft van de jaren 1990, 'Moedermelk' en 'Eindelijk' respectievelijk in 2006 en 2011.
'Slecht nieuws' is het donkerste van de vijf omdat Patrick Melrose dan een dieptepunt bereikt. Hij zit zwaar aan de drugs en hoort stemmen in zijn hoofd. Aan heroïne, 'zacht en vol als de hals van een houtduif', ontleent hij een valse troost. St Aubyn beschrijft het vinden en missen van aders, het scoren in griezelige buurten. 'Slecht nieuws' is een beklemmende helletocht.
In vergelijking daarmee is 'Wat heet hoop' bijna lichtvoetig. Het verhaal toont de aanloop naar een verjaardagsfeest in adellijke Engelse kringen. Er is zelfs koninklijk bloed aanwezig en St Aubyn amuseerde zich overduidelijk met de creatie van zijn vileine prinses. Na de beklemming van Patrick Melroses obsessieve geest is de dwaaltocht door de vele feestgangershoofden een verademing. Alle boeken bevatten humor en grimmige ironie maar 'Wat heet hoop' is het geestigst. Patrick Melrose is niet langer verslaafd en aan het eind van deel drie vraagt hij zich af of er iets van gemoedsrust voor hem in het verschiet ligt.
'Moedermelk' toont Patrick Melrose als vader. Hij kampt nog steeds met depressies en drinkt teveel maar is 'vastberaden de bron van zijn lijden niet door te geven aan zijn kinderen'. In het laatste deel, 'Eindelijk', begraaft hij zijn moeder. Voor het eerst slaagt hij erin haar tragiek te bevatten in dit fenomenale slotakkoord.
'De Patrick Melrose-romans' zijn geschreven in een stijl die op elke bladzijde begeestert. St Aubyn heeft het over 'gordijnen die opbollen en weer inzakken als verzwakte longen'. Gedachten van kinderen die nog niet kunnen praten omschrijft hij als 'verfspatten op een vel papier'.
Verbijsterend toch hoe deze boeken simultaan geestig, woest, fijnzinnig en aangrijpend zijn. En wat zijn ze op technisch vlak virtuoos, zoals de schrijver van het ene hoofd in het andere glipt.
De gesprekken tussen de personages zijn de ene keer luchtig, de andere keer gaat het over identiteit, vrijheid, herinneren.
Observeer alles: dat droeg David Melrose zijn zoon steeds weer op. Het is schrijnend dat St Aubyns immense observatietalent voortkomt uit een afgrijselijke kindertijd. Toch kunnen wij lezers ons enkel gelukkig prijzen met de ruim achthonderd weergaloze bladzijden die deze romancyclus telt.

*****

Edward St Aubyn - De Patrick Melrose-romans - vertaald door Nicolette Hoekmeijer - Prometheus - 845 blz. - 19.95 €


Eerste zin: 'Om halfacht 's ochtends liep Yvette over de oprit naar het huis, met in haar armen het wasgoed dat ze de vorige avond had gestreken.'

David Mitchell interview (De Standaard)

Minder bang van de dood

Wie een midlifecrisis weet om te buigen tot een luid geprezen boek mag zich een gelukkig man noemen. David Mitchell deed het met Tijdmeters, een roman in zes genres met zes vertellers.

Kathy Mathys

David Mitchell denkt op de lange termijn. In de loop van ons interview heeft hij het meer dan eens over zijn vier of vijf volgende boeken. De man heeft haast, er is geen tijd te verliezen. Hij staat nu eenmaal, naar eigen zeggen, in het midden van zijn leven. De Engelse auteur schreef eerder ondermeer Wolkenatlas, dat qua vormelijke ambitie vergelijkbaar is met Tijdmeters, en het autobiografische Dertien.
Tijdmeters is het tweede deel van zijn zogenaamde Marinus-trilogie, genoemd naar een personage dat het eeuwige leven heeft en eerder voorkwam in Mitchells roman De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet. 'Het derde deel zal volledig in de toekomst spelen. Ik ben er al mee bezig maar wil eerst een ander boek afwerken dat dit jaar nog verschijnt, een verzameling van spookverhalen.'

Heeft een ingewikkeld boek als Tijdmeters  een net zo ingewikkelde ontstaansgeschiedenis?

Het boek vloeit voort uit mijn midlifecrisis. Onze levens zijn begrensd en dat gegeven hield me de laatste tijd bezig. Niet Jupiter was de machtigste god tijdens de antieke oudheid, wel Terminus, de god van de grenzen. Ik word ouder  en daarom wilde ik me in Tijdmeters buigen over mijn sterfelijkheid. Tot nu toe ben ik altijd bang geweest van de dood. Ik vroeg me af of dat ook anders kon.
Het boek is een gedachte-experiment. Aan de ene kant heb je de verhaallijn over Holly Sykes, een gewone Engelse vrouw. Aan de andere kant bevat Tijdmeters een plotlijn over wezens die niet doodgaan. De Anachoreten staan hun ziel af en voeden zich met het vlees van de levenden om de dood te vermijden; de Chronometristen reïncarneren, ze zijn onschuldig en kunnen het niet helpen dat ze steeds terugkeren. Ik vroeg me af of ik dit zou willen. Wanneer je je bewustzijn afstaat, zoals de Anachoreten, ben je niet langer menselijk, dat lijkt me geen benijdenswaardige bestemming.
De Chronometristen vertellen iets over ons. Zij hebben het ene leven na het andere, maar ook wij sterven en worden herboren, zij het dan binnen één leven. Wanneer een van onze ouders sterft, wanneer we vernemen dat we ernstig ziek zijn of een kind krijgen, sterft ons oude ik. We zijn allemaal Chronometristen.

Dacht u vroeger minder na over de dood?

Tenzij je pech hebt, oorlogsreporter of soldaat bent, blijft de dood voor jonge mensen veelal abstract. Ben je midden de veertig en kijk je in de spiegel, dan zie je iets nieuws. Je jeugd is verdwenen. Dat je sterfelijk bent, voel je in je knieschijven en  je longen vanaf dat moment. Ik vind het belangrijk om die sterfelijkheid niet te negeren. Tijdmeters schrijven heeft me daarbij geholpen. Dankzij dit boek weet ik dat de Dood een metgezel is, hij staat ons niet op te wachten aan het einde, hij is er de hele tijd al aan de zijlijn. Ik vind dat niet deprimerend want hij fluistert me in het oor: 'Het leven is kort, verspil het niet. Het is zo voorbij.' En dan heb ik het niet alleen over het maken van kunst. Of we een goede of een slechte dag hebben, ligt dikwijls aan onszelf. Misschien hadden we een ruzie kunnen vermijden door een zin anders te formuleren. Door zachtmoedig te zijn, hadden we een veel mooiere dag gehad dan door te schelden. Ik klink nu als een sentimentele goeroe, niet? En toch is het zo.

Heeft u ooit geloofd in een leven na de dood?

Als kind nam mijn moeder me mee naar de kerk maar vanaf mijn vijftiende kwam ik daartegen in opstand. Ik heb me erbij neergelegd dat ik een atheïst ben. Soms benijd ik gelovigen om de manier waarop ze in het leven staan. Ik wou dat ik het kon. Ondanks mijn atheïsme denk ik na over wat er rest van een mensenleven na de dood. Om artistieke onsterfelijkheid geef ik niet want je kan er als kunstenaar toch niet van genieten vanuit je graf. Standbeelden zeggen me net zo min iets, niemand kijkt er naar en duiven schijten ze vol. Toch is er een vorm van onsterfelijkheid die mij aanspreekt. Wanneer iemand iets vertelt dat ons wijzer laat worden, dan leeft die verteller in ons voort. Het kan om kleine dingen gaan. Elke keer wanneer mijn vrouw roept dat het eten klaar is, moet ik denken aan een verhaal van A.S. Byatt. Daarin schrijft ze dat het grof is tegenover de kok om niet meteen aan tafel te komen wanneer het eten geserveerd wordt. Dat soort opmerkingen leven in me verder, of een gesprek met een leraar Engels van jaren geleden.

U heeft al duizenden bladzijden geschreven. Het is moeilijk voor te stellen dat u het gevoel heeft tijd te hebben verspeeld.

Vergeleken met sommigen heb ik nog niets bereikt. Niet dat ik mezelf met anderen wil vergelijken, maar toch. Ik wil veel en ik wil telkens iets anders. Ik had ook een boek kunnen schrijven waarin elk hoofdstuk verteld is vanuit Holly Sykes, maar dat soort boeken zijn er al. Er is geen boek zoals Tijdmeters. In elk hoofdstuk probeer ik de essentie van de tijdgeest te vatten: in het eerste deel gaat het om de strijd tussen socialisme en neo-kapitalisme. In het tweede krijg je de triomf van het neo-kapitalisme, de ouders van Hugo zijn rijke bankiers. Het derde deel gaat over Holly's man, een oorlogsjournalist in de jaren na 11 september 2001. Deel vier gaat voor mij om de impact van social media. In vijf zit er te veel actie om iets te vertellen over de tijdsgeest, zes gaat over de toekomst van onze planeet.
Tijdmeters is een vreemd artefact met in elk hoofdstuk een nieuwe verteller en een nieuw genre. Die genres in één boek samenbrengen en er een geheel van maken dat niet ontploft:  dat soort uitdagingen zoek ik op. Niet iedereen vindt de mix van realisme, pastiche, fantasy geslaagd. Ik denk dat het wel werkt.

Ziet u zichzelf als iemand die de roman heruitvindt?

Nee, ik ben enkel de schrijver van de boeken die ik heb geschreven, meer niet. Die vormexperimenten hangen samen met mijn persoonlijkheid. Ik kan enkel opgewonden geraken over een schrijfproject als ik naast schrijver ook uitvinder mag zijn. Is dat niet toegestaan, dan zou ik niet schrijven, dan zou ik een baantje nemen in een winkel of zo.

Hoe reageren lezers op het fantasy-deel in de roman?

De reacties zijn gemengd. Voor sommigen ben ik niet langer een literaire schrijver omdat ik me aan dit genre waag. Er was een Amerikaans journalist die me, heel betuttelend, een schouderklopje gaf en zei: 'Niet meer doen hoor, fantasy schrijven.' Ik kan best tegen kritiek, het was de manier waarop hij het zij die me niet aanstond. De taal is lastig voor sommige lezers, het verzonnen jargon. Voor hen is het een muur waar ze niet doorheen kunnen.
Ik bereid de lezer heel geleidelijk voor op de fantasy-knal in hoofdstuk vijf. Ken je die legende over de kikker die uit de pan springt wanneer je hem in kokend water gooit? Wanneer je de hitte geleidelijk opvoert, merkt de kikker niet dat hij langzaamaan gekookt wordt. Jullie zijn mijn kikkers. Dat neemt niet weg dat er gevoelige kikkers zijn, die toch niet goed tegen de langzaam oplopende hitte kunnen. Ik snap het heus wel.

Ik hield van de rust van het laatste hoofdstuk, na het fantasy-geweld. Had u dit slot in het begin al voorzien?

Ik ben een planner maar onderweg verandert er veel. Over het slot had ik al vroeg een idee. Ik besef nu dat het een vreemd slot is want ik lijk er de rest van het boek mee te ontkrachten. Wat is de zin van eeuwig leven als de toekomst van de wereld zelf op het spel staat? Ik vind het wel mooi dat die paradox in het boek zit.
In het laatste hoofdstuk, dat in 2043 speelt, is de wereld onherkenbaar geworden. Dat is over minder dan dertig jaar. Ik acht die ontwikkeling waarschijnlijk, al ben ik geen profeet die de toekomst voorspelt. Onze energiebronnen geraken opgedroogd, het zou zomaar kunnen. We zijn verslaafd aan olie en we zitten nog steeds in de ontkenningsfase. Ik heb eerder over die thema's geschreven maar nooit op een manier die zo realistisch is.
Een van de personages draagt poëzie voor in de donkerste uren. Het vertellen van verhalen en het reciteren van gedichten blijft bestaan, wat er ook gebeurt. Mensen hongeren ernaar. Misschien komt er een moment waarop er geen tablets meer zijn maar de literatuur zal niet verdwijnen. Dankzij verhalen hebben we toegang tot de gedachten van iemand die eeuwen geleden is gestorven. Is dat niet wonderlijk?


David Mitchell – Tijdmeters – vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema – Nieuw Amsterdam Uitgevers – 591 blz.

vrijdag 30 januari 2015

Vogelvlucht (De Standaard)


Foto: Andrew Smiley
Telkens wanneer ik een sinaasappel eet, denk ik aan Julia Blackburn. In een van haar boeken beschrijft ze haar vreugde om een sinaasappel die ze cadeau kreeg van een vriendin. De vrucht is een glanzend juweel voor de schrijfster en nu dus ook voor mij. 
Toen ik Blackburn in 2011 ontmoette, praatten we over sinaasappelen, over eenvoud en over haar man, de Nederlandse kunstenaar Herman Makkink, die toen al ziek was. In oktober 2013 stierf hij. Fluisteringen van liefde, smart en spreeuwen (De Bezige Bij - 16.90 €) is een gedicht dat Blackburn schreef drie maanden na zijn overlijden. Het boek bevat zowel de Engelstalige als de vertaalde versie.
De bundel opent met de woorden van Augustinus die in Belijdenissen schreef over de drie tijden in het leven. Bij het verleden horen herinneringen, bij het heden hoort de beleving en de toekomst gaat om verwachtingen. Sterft een geliefde, dan komt die indeling op wankele poten te staan. Gedachten aan een toekomst bedrukken en het heden wordt ingepalmd door angst, verdriet en herinneringen.
Blackburn vindt troost in het woord:

Ik vertel mezelf vaak
Hoe het gegaan is
Om van die laatste uren
Een pad van woordjes te maken
Dat ik kan volgen
Stap voor stap.

Ze vindt troost bij de spreeuwen die op winteravonden hun dans uitvoeren in de lucht. Behalve het gedicht staan in deze bundel foto's van Andrew Smiley die de vogels fotografeerde in Suffolk, waar de schrijfster woont. Het land op de beelden is zwart als teer, de luchten variëren van grauw naar lichtgrijs met roze vegen erdoorheen. De vogels doen abstract aan, het lijken gekalligrafeerde letters of rookpluimen. Ze doen me denken aan de spreeuwendansen waar ik als kind naar keek in de moestuin van mijn grootvader. De zwermen riepen verwondering op, maar ook iets waarvoor ik de woorden niet wist. Zo omschrijft Blackburn dit gevoel:

Spreeuwen helpen,
Zoals ze een trekkende beweging maken tussen het vieren van het leven
En het verwijzen naar ongeziene dingen

De gedachte aan spreeuwen kalmeert Blackburn bij het wakker worden, wanneer ze denkt: hij is dood.
En dan is er de troost van de herinnering aan een avondwandeling met haar man. Duizenden spreeuwen hielden zich schuil in het riet. Ik moet denken aan Vasalis, die een goede vriendin was van Blackburn. In het gedicht Onweer in het moeras schreef ze dit:

In de hemel hangen zware
violet gekleurde wolken.
Niets verraadt de gele schare
vogels, die het riet bevolken.


Kathy Mathys

woensdag 28 januari 2015

Het grote herschrijven

Het is fijn herschrijven met de mooie notitieboeken van /www.mofelitopaperito.com/!




dinsdag 27 januari 2015

Over mij

Mijn foto
Als freelance schrijver gaat mijn aandacht vooral uit naar Engelstalige literatuur. Ik recenseer fictie en interview auteurs voor De Standaard der Letteren, Schrijven Magazine. In 2010 zat ik in de jury van De Gouden Uil, in 2011 en 2012 in de jury van de Ako Literatuurprijs. In 2015 jureer ik voor de ANV Debutantenprijs. Ik schrijf ook graag over eten. Vooral de achtergrondverhalen boeien mij. Ik geef lezingen over eten en boeken en interview auteurs voor publiek. Verder geef ik cursussen en workshops in creatief schrijven (zie www.writerskitchen.nl). Ik ben als docent verbonden aan De Schrijversacademie (www.schrijversacademie.nl). In 2015 verschijnt mijn eerste boek 'Smaak - Een persoonlijke zoektocht'' bij De Bezige Bij Antwerpen.