woensdag 8 februari 2012

Vendela Vida interview (De Standaard)


Vrouw alleen op reis

In de romans van de Amerikaanse Vendela Vida leggen de vrouwelijke hoofdpersonages een weg af die lijkt op een hergeboorte. ‘De minnaars’, Vida’s derde, is meteen haar beste boek.

Kathy Mathys

‘Straks reis ik met de trein naar Zwolle, waar de zus van mijn moeder woont,’vertelt Vendela Vida, dochter van een Zweeds-Amerikaanse moeder en Hongaars-Amerikaanse vader. ‘Ik wil mijn tante interviewen over haar kindertijd in Zweden. Haar verhaal en dat van mijn moeder vormen de basis voor mijn volgende roman.’ Vida schrijft al jaren over moeders en dochters. Naar eigen zeggen komt dat doordat ze een heel goede band heeft met haar moeder en door haar eigen moederschap. Samen met auteur Dave Eggers heeft ze twee kinderen. In ‘De minnaars’ reist de 53-jarige Yvonne naar de plek waar ze ooit met haar overleden echtgenoot op huwelijksreis ging:

‘In mijn twee vorige boeken schreef ik over iemand die jonger was en het was een uitdaging om deze keer te schrijven over een oudere vrouw. Het is geen feministisch boek – zo ver zou ik niet gaan – maar Yvonne is altijd gedefinieerd geweest door de conventionele vrouwenrollen die ze speelde als moeder, echtgenote en lerares. In Turkije begint ze haar huwelijk in een nieuw licht te zien. Nu ze geen echtgenote meer is, en ook wat van haar schoonheid heeft verloren, wie is ze dan wel?’

Yvonnes echtgenoot is al twee jaar overleden wanneer het boek begint. Vond u de onmiddellijke reactie op de dood van een partner minder interessant?

Ik heb veel weduwes geïnterviewd voor dit boek en ze vertelden allemaal dat de echte rouwperiode twee jaar na de dood van hun man begon. In het eerste jaar ben je in shock en brengen mensen je eten, bellen ze vaak. Na een tijdje verwacht de omgeving dat je er overheen bent. Voor veel vrouwen was de tegemoetkoming aan die verwachting onmogelijk. Daarom begint mijn roman ook twee jaar na Peters dood.

Clarissa uit ‘Waar niemand is’ gelooft dat wie rouwt een scherpere kijk heeft op de dingen. Hoe denkt u daarover?

Voor zover ik weet heeft ze gelijk. Ik heb mijn echtgenoot of mijn kinderen gelukkig niet verloren, maar onlangs stierven er twee goede vrienden en hun dood deed me naar de wereld kijken met een onbezoedelde blik. Je ziet de essentie, de kern van de dingen.

De personages moeten vaak moeilijke keuzes maken, hun ethische dilemma’s zijn complex. Maken ze de keuzes die u zou maken?

Nee, helemaal niet. Ik denk dat mijn beslissingen anders zouden zijn. Romans zijn geen zelfhulpboeken, ze bevatten geen voorschriften voor het leven. In mijn romans schrijf ik over mijn angsten. Als jonge moeder denk ik veel na over de relatie met mijn kinderen. De gedachte dat je kan vervreemden van je kinderen, vind ik angstaanjagend. Wat voor moeder zal ik zijn wanneer ze ouder worden?, vraag ik me af. Het moederschap is momenteel een hot issue in de V.S. Het boek ‘Battle Hymn of the Tiger Mother’ van Amy Chua, waarin ze een heel strenge aanpak beschrijft, was zeer controversieel. Ik heb dat boek niet gelezen, wel de opiniestukken erover. Het enige ‘moederboek’ dat ik ooit las was er één van Dr. Spock. Ik onthield vooral zijn leuze ‘je weet meer dan je denkt’, een leuze die ik mezelf in herinnering breng wanneer ik begin aan een nieuwe roman.

Yvonne heeft moederlijke gevoelens voor de jongen die ze op het strand in Turkije ontmoet. Gedraagt ze zich ook als een geliefde?

Het is ingewikkeld. Eén van mijn redacteuren wilde dat ik de jongen ouder maakte zodat er sprake kon zijn van een meer expliciete seksuele spanning. Dat wilde ik niet. Ik wilde een moeder-kinddynamiek met een heel subtiele hint dat er meer gaande was.

In al uw romans vertrekken de vrouwelijke hoofdpersonages op reis. De lezer vraagt zich soms af of hun routes metaforisch zijn. U ook?

Voor mij gaan ze echt op reis. De lezer mag er natuurlijk van denken wat hij of zij wil. Er zijn twee basispremissen voor de roman: de vreemdeling die ergens aanklopt en de man of vrouw die een lange reis maakt. Ik hou meer van de tweede omdat je veel te weten komt over een personage dat uit zijn natuurlijke omgeving is weggerukt. Ik hou heel veel van reizen. Had ik geen kinderen, dan zou ik meer reizen. Dave en ik hadden ooit het plan om telkens drie maanden in een land te wonen en dan te verhuizen. We verbleven drie maanden in Nieuw-Zeeland en drie in Costa Rica maar vonden het toch niet ideaal. We kenden er niemand en voelden ons wat ontheemd. Wanneer de kinderen ouder zijn, wil ik graag meer reizen en dan nemen we hen mee.

Was dit een roman met veel verrassingen voor u?

Eigenlijk brengt elke roman verrassingen mee want ik plan weinig. Meestal kom ik vast te zitten in het midden van een boek. Bij ‘Waar niemand is’ gebeurde dat en diende ik voor de derde keer naar Scandinavië te reizen om letterlijk in de voetsporen van mijn personage te treden. In het midden van ‘De minnaars’ wist evenmin hoe het verder moest. Ik herlas E.M.Forsters ‘A Passage to India’ en de beroemde grotscène uit dat boek inspireerde me. Het leek me een goed idee om Yvonne in een dergelijke grot terecht te laten komen, een fysieke gevangenis die symbool staat voor haar emotionele gevangenschap. Ik was zeven en een halve maand zwanger toen ik Forster herlas. Ik legde het boek neer en boekte meteen de reis want ik had geen tijd te verliezen. Toen ik naar het beroemde Turkse grottendistrict Cappadocia reisde, viel alles op zijn plaats.
Behalve uit Forster haalde ik inspiratie uit ‘The Sheltering Sky’ van Paul Bowles en ‘The Comfort of Strangers’ van Ian McEwan. Al die romans gaan over mensen die in het buitenland iets dramatisch meemaken. ‘L’Etranger’ van Camus beïnvloedde de afstandelijke toon van mijn boek. Ik vond het interessant om te lezen hoe Camus het strand op zoveel verschillende manieren beschrijft. Camus herinnerde me eraan om alle zintuigen in te zetten bij de beschrijvingen van zand en water.

Elk van uw romans bevat een gewelduitbarsting. Heeft u enig idee waarom?

Ik schrijf over vrouwen die alleen reizen en in sommige landen kan dat niet zonder dat er een sfeer van dreiging in de lucht hangt. Meer kan ik daar niet over zeggen, ik weet zelf niet goed waarom dat steeds terugkeert. Ik ben overigens niet uitsluitend geïnteresseerd in het geweld zelf maar in de manier waarop de vrouwen reageren. In mijn debuut is de context lichtvoetiger, er zit meer humor in. De boeken worden steeds serieuzer en ik vind het belangrijk dat ze allemaal – hoe zwaar de thematiek ook is – humor bevatten, al heb ik de neiging om te overdrijven. Toen ik ‘Waar niemand is‘ schreef, hing ik een post-it boven mijn werktafel met de woorden ‘Can not be funny’. Ik was geneigd om Clarissa sarcastische opmerkingen te laten maken maar dat paste niet, na de gruwelijke ontdekkingen die ze deed. Voor mij was het moeilijk om die ernst op te houden. Als mijn personages al iets met mij gemeen hebben, dan is het hun gevoel voor lichtsarcastische humor.

Heeft San Francisco u gevormd als schrijver?

De stad was me al vertrouwd als kind. Ik had een buspas en reisde heel wat af, het was mijn universum. Ik las veel toen ik jong was. Ik herinner me een actie van de bib waarbij je per pagina die je las een cent kreeg en dat motiveerde me enorm. De bib speelde een enorme rol in mijn kinderjaren. We gingen er elke woensdag heen en de bibliothecaresse gaf me altijd de nieuwste aanwinsten mee. Mijn vader was een antiekverzamelaar en ik las zijn mooie exemplaren van Somerset Maugham en Ernest Hemmingway. We hebben geen winters in San Francisco, wel erg lange regenseizoenen dus ik had veel leesvoer nodig. Als kind was ik een pathologische leugenaar. Ik verzon voortdurend leugens die ik rondvertelde. Toen ik ontdekte dat je dit soort verzinsels ‘fictie’ noemt, ging er een wereld voor me open. Je kreeg geen uitbrander wanneer je je verzinsels ‘fictie’ noemt. Je kreeg er zelfs lof voor en dus ging ik verhalen neerschrijven, heel vroeg al.
Ik heb nauwelijks geschreven over San Francisco want het is moeilijk om te schrijven over de plek waar ik woon. Ik hou van de stad maar zit er te dicht op. Wanneer ik een idee heb voor een boek wil ik niet beïnvloed worden door het dagdagelijkse. Als ik over San Francisco zou schrijven, zou ik de neiging hebben om alles wat ik op straat zie in het boek te stoppen. Dat wil ik niet, een roman is geen vuilnisbak die je volpropt met willekeurige toevalligheden. Wanneer ik schrijf selecteer ik heel streng. De passages over het hoge Noorden in ‘Waar niemand is’ heb ik geschreven toen ik op een warm strand zat in Turkije. Die afstand werkt, ik schrijf niet graag over de onmiddellijke werkelijkheid die me omringt. Ik gebruik de foto’s die ik nam toen ik in Noord-Europa was en de beschrijvingen van het ijs en de sneeuw die ik in mijn notitieboek maakte. Ik hield zelfs een ‘luchtdagboek’ bij toen ik in Zweden was, waarin ik op elk uur de lucht beschreef.

U bent redacteur bij het literaire tijdschrift The Believer. Wat maakt dit tijdschrift zo bijzonder volgens u?

In 2003 heb ik The Believer opgericht met twee medestudenten van op Columbia. Het magazine bestaat nu acht jaar, we hebben negen nummers per jaar. Elk jaar hebben we drie specials: muziek, kunst en film. We hebben geen advertenties en er is niemand die ons vertelt hoe lang de interviews mogen zijn. We besteden aandacht aan de boeken die we zelf de moeite vinden en brengen geen negatieve kritieken. Ik vind het zinvoller om ruimte te geven aan boeken die je als redacteur boeiend vindt. Waarom zou je je blad volproppen met negatieve recensies? We maken ook ruimte voor debutanten en voor uitgaven van onafhankelijke boekhandels die elders niet veel aandacht krijgen. Soms brengen we een vertaling uit van een Europese schrijver, maar dat blijkt een moeilijk en duur proces. Ik wou dat er meer geld voor was want Amerikanen lezen haast nooit vertaald werk.

Recensie:
Sinds de dood van haar echtgenoot leeft Yvonne opgesloten in een bolster die niemand kan binnendringen, zelfs niet haar tweeling, Matthew en Aurelia. Nadat geschiedenislerares Yvonne twee keer dezelfde les over Oliver Cromwell aan een klas gaf, verplicht het schoolhoofd haar om er tussenuit te gaan. ‘Geschiedenis was een troost – het ging niet over haar,’ schrijft Vida over de afstandelijke, ontwijkende Yvonne. Als jonge vrouw had ze gehouden van het avontuur en Yvonne vraagt zich af wat er nog over is van de pasgehuwde die dertig jaar eerder door Italië danste. Vida is karig met woorden en beelden. ‘De minnaars’ is dan ook geen roman voor wie hoopt op veel exotische details over Turkije. Die details zijn er wel maar ze verbeelden vooral Yvonnes innerlijke landschap of staan ermee in contrast. ‘De minnaars’ is het derde deel van Vida’s triptiek over kwaadheid, herinnering en verdriet. Net als in ‘And Now You Can Go’ en ‘Waar niemand is’ gaat het vrouwelijke hoofdpersonage na een gewelddadige gebeurtenis – Peter stierf bij een ongeval – op een fysieke én innerlijke reis. Aan het eind van de roman gebeurt er iets gruwelijks waardoor Yvonne ontspoort. Die afwikkeling gaat nogal bruusk en snel. Het laatste beeld is dan weer krachtig en past helemaal binnen deze roman over ouderschap, de chemie van lange huwelijken en de seksualiteit van een niet zo jonge vrouw. ‘De minnaars’ is een stille roman waarin de spanning geleidelijk aan oploopt en waarin Vida Yvonnes nerveuze route door de villa en door Datça, afwisselt met flashbacks over Peter en de kinderen. De taal is glashelder, sober. (Kathy Mathys)
***
Vendela Vida – De minaars – vertaald door Mechteld Jansen – Meulenhoff - 223 blz. – 18.95 € - oorspronkelijke titel: The Lovers.

maandag 6 februari 2012

On Re-reading (De Standaard)


Nederigheid

‘Je bent er nog te jong voor,’ zei mijn lerares Nederlands toen ik me als vijftienjarige liet ontvallen dat ik met moeite door ‘De kapellekensbaan’ heen kwam. Ik heb Boons roman nooit herlezen en toch vermoed ik dat mijn leeservaring nu nauwelijks zou lijken op die van destijds. Dat herlezing – zelfs op korte termijn - verrassende resultaten kan opleveren, weet ik uit mijn ervaring als jurylid voor literaire prijzen. Een enkel boek dat in de lente een prachtige verkenning van het leven zelve leek, blijkt bij herlezing in de herfst een lege trukendoos.
In On Rereading (Harvard University Press) schrijft ex-literatuurprofessor Patricia Meyer Spacks over haar herleesavonturen. Ze herlas kinderboeken, romans die ze ooit adoreerde, boeken waarover ze doceerde en klassiekers die haar tegenvielen.

‘Ik weet wat ik zal vinden,‘ antwoordde fictieschrijver Larry McMurtry op de vraag waarom hij graag boeken herleest. Misschien is dat wel de belangrijkste reden waarom we favorieten uit onze jongste jaren herlezen. We zijn op zoek naar de bezieling van toen, het vertrouwde. Toen Spacks Alice in Wonderland herlas, beleefde ze een tweeledig leesplezier. Ze bewonderde - net als vroeger - Alice’ strijdvaardigheid én ze genoot van taal en structuur. Bovendien verdiepte haar kennis van het Victoriaanse Engeland en van Lewis’ biografie het genot. Toch kan het wel eens tegenvallen. Als kind las ik Thea Beckmans Kruistocht in spijkerbroek vele malen. Toen ik het enkele jaren geleden oppikte, stoorde ik me aan de matig uitgewerkte personages, al snapte ik wel waarom ik ooit zo dol was op het boek. Het verhaal is spannend, de brave romantiek betoverde me en de slechteriken lieten me sidderen. Volgens Spacks is herlezing een fascinerende activiteit die ons in staat stelt om een oudere versie van onszelf te bezoeken. Jeanette Wintersons Written on the Body, ooit mijn talisman tijdens een ongelukkige liefdesepisode, is een boek dat me bij herlezing met enige schaamte liet terugblikken op hoe ik me toen wentelde in mijn liefdesverdriet. Maar ook zonder tenenkrullende herinneringen kan herlezing waardevolle inzichten verschaffen. Spacks schrijft sprankelend over de veertig keer dat ze Pride and Prejudice herlas, waarbij ze telkens iets nieuws ontdekte. Austen leerde haar iets over het leven en – niet onbelangrijk – het leven leerde haar iets over Austen.

On Rereading is een alternatieve autobiografie en al klinkt Spacks in sommige passages als de academica die ze is, toch is dit een boek zonder belerend toontje. Spacks beklemtoont dat haar herleeservaring persoonlijk is en dat de herleesavonturen van elke lezer anders zijn. Dit boek laat zien hoe een tekst begint te leven wanneer hij binnenkomt bij de lezer, een lezer die niet dezelfde mens is als tien jaar eerder. Voor (professionele) lezers met al te stellige meningen is On Rereading dan ook een waardevolle les in nederigheid. (Kathy Mathys)

Ann Patchett - Staat van verwondering (De Standaard)


Junglemysterie

Joseph Conrad met een vleugje ‘Indiana Jones’: zo zou je de nieuwe Ann Patchett kunnen omschrijven. Met ‘Staat van verwondering’ verschijnt nu al een van de toppers van 2012.

Kathy Mathys

Op de auteursfoto die de achterflap van ‘Schoonheid en trouw’ siert, hangt er een hijgende hond over de schouder van een breed glimlachende Ann Patchett. Auteursfoto’s die voorzien zijn van honden maken me enigszins achterdochtig. Als het baasje een Amerikaan is, denk ik al gauw aan Oprah Winfrey en opgewarmd sentiment. Gelukkig kende ik Patchett al van haar Orange Prize-winnaar ‘Bel Canto’ en legde ik ‘Schoonheid en trouw’, Patchetts memoire over haar vriendschap met overleden schrijfster Lucy Grealy, niet opzij. Patchett viel me voor het eerst op met haar New York Times-essay ‘Paris Match’, een autobiografische parel waarin ze beschrijft hoe een duur, glorieus maal in een Parijs restaurant aan haar voorbijgaat omdat ze ruziet met haar geliefde. De glashelderheid van haar proza, de psychologische souplesse en haar gevoel voor plot en timing sprongen meteen in het oog. Het zijn net die kwaliteiten die van ‘Staat van verwondering’, Patchetts zesde roman, een topper maken.

Patchett houdt van ongewone settings en al begint ze dicht bij huis, in een laboratorium in Minnesota, de actie verplaatst zich snel naar Brazilië. Marina Singh is een beta-mens met een groot plichtsbesef. Haar ernst zit haar gevoel voor humor niet in de weg, haar lichte afstandelijkheid maakt haar tot een boeiende gids in dit verhaal. Singh werkt voor een farmaceutisch bedrijf en heeft een geheime relatie met de CEO, Mr Fox. Laatstgenoemde maakt zich zorgen om Annick Swenson, de wetenschapster die al jaren aan het werk is in het Amazonewoud zonder haar opdrachtgever van updates te voorzien. Fox stuurt Anders Eckman naar Brazilië om Swenson op te sporen. Wanneer Eckman aan koortsverwikkelingen overlijdt, trekt Singh, die jarenlang met hem samenwerkte, naar het regenwoud.

Kippenkoppen

De 42-jarige Singh vliegt naar Manaus, de stad die het dichtst bij het duistere hart van de jungle ligt. Poortwachters Jackie en Barbara Bovender, betaald door Swenson om nieuwsgierigen tegen te houden, vertragen Singh. Patchett leeft zich uit in kleurrijke beschrijvingen van de rivier - ‘die dikke bruine soep’ -, van kippenkoppen en insectenzwermen op marktpleinen. De rationele Singh krijgt beangstigende koortsdromen door de malariamedicijnen, dromen waarin ze het traumatische verleden met haar vader herkauwt. Wanneer Singh de rivier opgaat ‘into the beating heart of nowhere’ herinnert deze roman steeds meer aan Josephs Conrads ‘Heart Of Darkness’, al is Patchetts roman lichtvoetiger. Tijdens de meest dramatische scène in het boek – iets met een jongen, een anaconda en een kapseizende boot – drongen zich zelfs beelden op uit ‘Indiana Jones’. Toch is de plot nergens te dominant of grotesk. Meer zelfs: de plot is de stuwende kracht die dit verhaal in goede banen leidt en die de thema’s verdiept. Swenson en haar team doen onderzoek naar het DNA en de leefgewoonten van de Lakashi, een stam waarvan de vrouwen op bejaarde leeftijd nog kinderen baren. Patchett laat haar personages debatteren over de vraag of het wenselijk zou zijn dat zestigers in het Westen kinderen krijgen. Swenson en Singh vragen zich ook af in hoeverre ze hun stempel mogen drukken op hun omgeving. Moeten ze technieken uit de Westerse geneeskunde gebruiken om de Lakashi te helpen? Die discussies overheersen niet. ‘Staat van verwondering’ is dan ook geen roman voor wie ethische kwesties tot op het bot uitgediept wil zien. Patchett is bovenal een verhalenverteller met een Amerikaans gevoel voor plot en spanning. Haar personages zijn ijzersterk en compleet geloofwaardig. De psychologische finesse waarmee Patchett de relatie tussen Singh en Eckmans weduwe beschrijft, is verbluffend. Swenson en Fox, personages met veel karikaturaal potentieel, zijn ingetogen, aangrijpende figuren. In ‘Familie’, Patchetts vorige roman, zat te veel sentiment, waren de randen niet scherp genoeg. ‘Staat van verwondering’ is meer onderkoeld, al zal het slot sommige Europese lezers tegenstaan.
Patchett is erg goed in beschrijvingen van sneeuw, licht, planten. Geen vaag gemijmer bij haar. Zo omschrijft ze kuifkoekoeken: ‘Met een dergelijke vogel kon je de binnenkant van een jampot schoonmaken’. ‘Staat van verwondering’ is een boek als een koortsige malariadroom, het blijft in je lijf hangen, lang nadat je het hebt neergelegd. Enig minpunt: de verwijzing naar Orpheus, die naar de onderwereld trok om Eurydice te redden, had Patchett niet met handen en voeten hoeven uit te leggen aan haar lezers.

****
Ann Patchett – Staat van verwondering – vertaald door Hien Montijn – De Bezige Bij – 400 blz. – Oorspronkelijke titel: State of Wonder.

dinsdag 17 januari 2012

Chad Harbach - De kunst van het veldspel (De Standaard)


Episch en meeslepend

Chad Harbach mag meteen meespelen met de groten. Het zelfvertrouwen en de klasse spatten af van zijn oer-Amerikaanse debuutroman ‘De kunst van het veldspel’.

Kathy Mathys

‘Teams willen monsters in het hart van hun binnenveld,’ schrijft Chad Harbach in ‘De kunst van het veldspel’, een campusroman waarin honkbal symbool staat voor het hele leven. Henry Skrimshander, een onwereldse tiener uit South Dakota, ziet er met zijn kleine gestalte niet uit als een beer. Hij slaat zelden homeruns, maar is een fantastische korte stop. Aparicio Rodriguez, de fictieve schrijver van honkbalklassieker ‘De kunst van het veldspel’, omschrijft de korte stop als ‘een bron van kalmte in het centrum van de verdediging’. Henry dweept met het boek dat hij angstvallig tegen de borst klemt wanneer hij voor het eerst over de campus van Westish, een kleine universiteit in Wisconsin, wandelt. Henry is een buitenbeentje dat niets snapt van de hordes jongens en meisjes die elkaar in codewoorden sms’en. Het is atleet-student Mike Schwartz die Henry onder zijn vleugels neemt en zijn trainingssessies begeleidt. De boerenpummel uit South Dakota ontpopt zich al snel tot één van de grote honkbalbeloftes en bij Henry’s wedstrijden stikt het van de scouts die eruit zien als CIA-agenten. Tijdens één van de door Harbach met veel gevoel voor sier beschreven wedstrijden gaat het fout. Dat moment verandert het leven van de vijf hoofdrolspelers.

Net zoals de korte stop een spilfiguur is op elk honkbalveld, zo draait het in deze roman om de mensen die Henry omringen. Behalve Mike, zijn dat Henry’s kamergenoot Owen, Guert Affenlight – rector van de universiteit - en diens dochter Pella. Laatstgenoemde is de meest duistere geest van het gezelschap. Na jaren van afwezigheid rolt ze het leven van haar vader binnen. Ze is het huis van de oudere man met wie ze als late tiener huwde, ontvlucht en wil opnieuw gaan studeren. Affenlight is een voormalige docent met een voorliefde voor Herman Melville. De schrijver van ‘Moby Dick’ bracht ooit een bezoek aan Westish en zijn standbeeld op de campus kijkt uit over Lake Michigan, het meer waar Melville in zijn nadagen op voer. Affenlight, een geroutineerde hetero die evenveel succes heeft met zijn lezingen over Melville als met zijn looks, ontdekt dat hij valt voor de homoseksuele Owen.

Epische zwier

Je hoeft helemaal niets te hebben met honkbal om van deze roman te houden. In de Amerikaanse literatuur zijn er wel meer romans waarin sporttaferelen verwijzen naar het Echte Leven. Denk maar aan ‘Laagland’ van Joseph O’Neill, waarin de cricketscènes iets vertelden over het migrantenleven in het New York na 11 september 2001. Harbach legt de nadruk op de traagheid en de schoonheid van het spel, een schoonheid die de personages ook buiten het veld najagen. Dit is een roman over grote dromen en over vriendschappen en liefdes tussen mannen: het honkbalveld biedt de ideale locatie voor de verkenning van die thema’s. Harbach weet de maniakale, haast mystieke doelgerichtheid van topsporters erg goed te vatten: ‘Hij wilde dat zijn lichaam aanvoelde als een hol vat.’ ‘De kunst van het veldspel’ is ook een prachtige vader-dochterroman en een aangrijpend verhaal over een late, alles verterende liefde.
Qua structuur doet dit traag vertelde, verslavende boek bijna ouderwets aan. Harbach neemt zijn tijd en zet zijn pionnen met erg veel zelfvertrouwen op het veld. Uit zijn debuut spreekt een gevoel voor epische grandeur die heel veel moois belooft voor de toekomst van deze schrijver. Wie graag in een roman ‘woont’, zal dit boek aan het hart drukken. Je leert de personages goed kennen – van de kleur van hun bedsprei tot hun innerlijke roerselen. Harbach neemt zijn personages serieus, verkent ze met veel gevoel voor empathie. Zijn debuut doet denken aan ‘Vrijheid’ van de hedendaagse, onironische Franzen, hoewel Harbachs roman iets lichtvoetiger is. ‘De kunst van het veldspel’ herinnert ook aan Richard Russo, al zit die dan weer dichter in de buurt van het sentiment. Op stilistisch vlak dienen zich adjectieven aan als ‘naadloos’ en ‘ongedwongen’, al blijf je wel haken aan prachtbeelden als dit: ‘een worp waar je je wasgoed aan kon drogen, van begin tot eind op ooghoogte en met slechts een afwijking van één stap’. ‘De kunst van het veldspel’ staat vol verwijzingen naar andere boeken, niet zo verwonderlijk met literatuurstudenten en –docenten als personages. De passages uit Shakespeare, Melville, Whitman doen heel natuurlijk aan en laten zien dat Harbach niet lukraak met citaten goochelt. Dit is een schrijver die erg goed weet waarmee hij bezig is.

****
Chad Harbach – De kunst van het veldspel – vertaald door Joris Vermeulen – De Bezige Bij – Amsterdam – 528 blz. – Oorspronkelijke titel: The Art of Fielding.

donderdag 12 januari 2012

T.C.Boyle - Na de barbarij (De Standaard)


Groene boodschap

De planeet moet gered, ook door fictieschrijvers. Hoe schrijf je een eco-verhaal zonder te preken? T.C.Boyle doet een heel degelijke poging.

Kathy Mathys

Het scheelde niet veel of Alma Boyd Takesue uit ‘Na de barbarij’ was nooit geboren. Haar grootmoeder overleefde ternauwernood een schipbreuk en spoelde aan op een verlaten stuk van de Channel Islands, in Californië. Met veel zin voor epische dramatiek beschrijft T.C. Boyle haar angst voor haaien, haar tot bloedens toe gebarsten lippen. Kleindochter Alma is een biologe die de Channel Islands wil beschermen tegen uitheemse indringers, met name ratten en wilde zwijnen. Ze hanteert een rationeel kompas in het leven en walgt van de sentimentele hysterie van radicale milieuactivisten die het woord ‘rattengenocide’ in de mond nemen.
Haar nemesis is Dave LaJoy, een milieuactivist met geld. Wanneer hij niet op nachtelijke sabotagemissie is, verkoopt hij peperdure geluidssystemen aan gefortuneerde klanten. Hij houdt van regen want dan krijgen zijn dreadlocks ‘meer body’ ; zwervers vindt hij lamballen omdat ze de aandacht afleiden van echte slachtoffers – ratten dus.
Geen van beide personages is bepaald sympathiek, al verzeilt Boyle met LaJoy af en toe in de karikaturale zone. De extremist-met-tunnelvisie is een personage met Dickensiaanse dimensies, een slechterik van wie je weet dat hij uiteindelijk zijn verdiende loon krijgt. Toch is ‘Na de barbarij’ meeslepend en, tot op drie vierden, geloofwaardig. Daarna neemt de plot wendingen die te dramatisch zijn naar moderne Europese smaak.
Romans met een boodschap – in dit geval een groene – zijn dikwijls te pamfletair. Gelukkig is geen van de personages een heilige, wat helpt tegen prekerigheid. Vooral Alma heeft een fascinerende geest. Haar identiteit valt bijna volledig samen met haar werk en Boyle weet goed over te brengen hoe dat komt. De schrijver wisselt de Alma- en LaJoy-hoofdstukken af en meestal zit je dicht op de oververhitte hoofden van dit duo. Af en toe zoemt de camera uit voor wat je haast een biologieles zou kunnen noemen. Deze interludes waarin een erudiete alwetende verteller het estafettestokje overneemt, doen 19de-eeuws aan en misstaan niet in deze roman met Dickensiaanse trekjes. Toch gaat Boyle wel eens te ver met zijn wetenschappelijke analyses. Vooral aan het eind staan de plotwendingen duidelijk in functie van het ethische debat. Zo koppelt Boyle de zwangerschap van een personage aan de vraag naar de overbevolking van de aarde. ‘Na de barbarij’ is een roman over territoriumdrift, zowel bij dieren als mensen. De personages lopen elkaar voor de voeten, botsen tegen elkaar aan in kleine kantoren of ongeluchte kajuiten. De sfeer is gejaagd, koortsig.

Minder CO2

Stilistisch is Boyle een man van het zwierige gebaar. Hij schrijft lange, barokke zinnen, geen beeld is hem te plastisch. Over Alma’s grootmoeder schrijft hij dat ‘de dorst (…) in haar klappert als bamboe in een woestijnwind’ ; over het kapsel van een journaliste klinkt het ‘ (ze had) touwachtig, roodgeverfd haar dat als drijfvuil in haar gezicht slaat’. Qua opbouw had dit boek wel wat variatie kunnen gebruiken. Boyle schrijft lange hoofdstukken die mooi traag op gang komen om vervolgens telkens te eindigen met een dramatische gebeurtenis.
Ondanks al deze kanttekeningen is ‘Na de barbarij’ boeiend en spannend van begin tot eind en dat ligt vooral aan Alma. Ook de historische hoofdstukken over de Channel Islands – het mooiste speelt in een gezin van schapenkwekers – zijn beeldend geschreven. Boyle heeft gevoel voor humor, wat niet enkel blijkt uit ‘Na de barbarij’ maar ook uit ‘The Siskiyou, July 1989’, een kortverhaal dat de man schreef voor een anthologie met ecologisch getinte vertellingen. Alle opbrengsten van ‘I’m With the Bears’ gaan naar 350.org, een organisatie die werkt aan de vermindering van de CO2-uitstoot. Lydia Millets ‘Zoogoing’ voert een vrijgezel op die ’s nachts zoodieren bevrijdt. De boodschap ligt er niet vingerdik op en Millets metafoor – de vrijgezel als losgeslagen, wild dier – werkt goed. Van Helen Simpson is er een knap dystopisch verhaal in dagboekvorm, van Toby Litt een vertelling over een krankzinnig regeringsinitiatief. Om de CO2-uitstoot te verminderen speelt Londen de Blitz van 1940 na. Energiezuinigheid verzekerd. Ook David Mitchell brengt een intrigerend verhaal over bejaarden die verplicht een gifpil moeten slikken om de wereld ‘te ontlasten’. Niet alle bijdragen zijn even sterk, jammer genoeg. Margaret Atwood preekt en de bijdragen van Paolo Bacigalupi en Wu Ming 1 begeesteren niet.

***
T.C.Boyle – Na de barbarij – vertaald door Gerda Baardman, Tjadine Stheeman en Onno Voorhoeve - Anthos – 381 blz. – Oorspronkelijke titel: When the Killing’s Done.
**
Mark Martin (red.) – I’m With the Bears – Short Stories From a Damaged Planet – Verso – 196 blz.

Jeffrey Eugenides interview (De Standaard)


‘Ik neem de liefde ernstig’

In de 19de-eeuwse romans van George Eliot en Jane Austen draaide alles om de zoektocht naar een geschikte partij. Hoe zit dat bij moderne personages? Dat is één van de vragen die Jeffrey Eugenides zich stelt in ‘Huwelijk’.

Kathy Mathys

Is het verlegenheid, behoedzaamheid of is hij afgeleid omdat er nog iets geregeld moet worden voor zijn terugreis de volgende dag? Wat er ook van zij, de Jeffrey Eugenides die bij ons aan tafel schuift, is kort van stof en heeft iets onwennigs. In 2003 was er ‘Middlesex’, de met de Pulitzer Prize bekroonde tweede roman van de schrijver van ‘De zelfmoord van de meisjes’. Daarna volgden acht jaar van stilte, tot enkele maanden geleden ‘Huwelijk’ verscheen. Madeleine Hanna, de heldin van ‘Huwelijk’ is een literatuurstudente aan Brown die veel meer houdt van Victoriaanse schrijvers dan van de deconstructivisten die in 1982 in de mode zijn. Madeleine verdiept zich in Derrida en Barthes die de romantische liefde afdeden als een verzinsel. ’Mijn boeken beginnen met een persoon die een probleem heeft. Madeleine wordt verliefd op hetzelfde moment dat ze de Franse theoretici leest die de romantische liefde deconstrueren,’vertelt Eugenides. Net als in de romans van Jane Austen heeft de heldin meer dan één aanbidder. Ze begint een relatie met de manisch-depressieve Leonard, een briljante biologiestudent. Haar andere aanbidder is Mitchell, die zich verdiept in religieuze vragen.

Wou u het genre van de roman waarin alles draait rond een geslaagd huwelijk nieuw leven inblazen?

Ik wist wel dat het niet langer mogelijk is om op dezelfde manier te schrijven als Jane Austen. Dat wou ik ook niet. Ik vroeg me af welke facetten van ‘de huwelijksplot’ nog golden in onze tijd en welke niet. Een bemiddelde partij strikken speelt in veel huwelijken nog steeds een rol. Denk maar aan de New Yorkse vrouwen die een rijke bankier aan de haak willen slaan. Ik ontdekte dat romans als ‘Trots en vooroordeel’ en de tv-adaptaties van die romans een grote rol spelen in ons hoofd. Doordat we die verhalen zo goed kennen, koesteren we grote verwachtingen omtrent de romantische liefde. Daarover gaat dit boek, over de manier waarop wat we lezen onze levens beïnvloedt. Dat is ook de reden waarom het verhaal zich afspeelt onder studenten. Voor velen zijn de studentenjaren ‘leesjaren’. Als mens ben je nog ongevormd. Je ontdekt jezelf en vaak leer je ‘de sleutelromans’ kennen die je je de rest van je leven herinnert. Je ontdekt hoe wonderbaarlijk literatuur kan zijn, hoe gevaarlijk.

De drie studenten in de roman zijn heel bevlogen. Ze studeren niet enkel om een diploma te halen. Haalde u inspiratie uit de tijd dat u aan Brown studeerde?

Net als Madeleine, Mitchell en Leonard maakten mijn vrienden en ik ons geen zorgen om onze cijfers. Dat was enkel belangrijk als je dokter wou worden. Onze studies waren van levensbelang voor ons. We wilden echt iets te weten komen over de wereld. Toen ik aan Brown zat, kwam de semiotiek net overgewaaid vanuit Europa. Sommige professoren vonden het niets, anderen ‘bekeerden’ zich al snel. Ik herinner me het klimaat nog erg goed, de manier waarop mensen ‘overliepen’ naar de semiotiek, de moeilijke terminologie begonnen te gebruiken, ook al begrepen ze er wellicht weinig van. Net als Madeleine merkte ik dat velen Derrida lazen en net als zij was ik heel nieuwsgierig.

In het begin van de roman beschrijft u Madeleines boekenkast. Heeft u dezelfde smaak als haar?

Niet echt, zij houdt meer van 19de-eeuwse romans dan ik. Ik was als student helemaal in de ban van het modernisme, James Joyce vooral. Ik was dan ook veel meer klaar voor semiotiek dan Madeleine. Negentiende-eeuwse romans zeiden me niet zoveel.

En toch haalt u het gedachtegoed van het deconstructivisme gedeeltelijk onderuit. De roman is eigenlijk een deconstructie van de deconstructie van de liefde.

Ja, dat klopt, of een reconstructie van de liefde. Ik neem de liefde heel ernstig in dit boek. Ik weet nog goed hoe belangrijk het is, hoe wereldschokkend, om voor het eerst verliefd te zijn, net als voor de drie personages in het boek. Ik neem Madeleine heel serieus. Wanneer ik een personage schep, denk ik aan iedereen die ik ooit heb ontmoet en die een beetje op mijn personage lijkt. Ik haal overal snippers vandaan om een personage te creëren. Ik stop ook in elk personage veel van mijn gedachten en gevoelens. Ik dacht helemaal niet aan 19de-eeuwse heldinnen, toen ik Madeleine verzon, veeleer aan de liefjes die ik had op de universiteit. Haar specifieke omstandigheden zijn fictief. Ik wist al snel dat ze een manisch-depressieve vriend had, iemand die zowel slim als getormenteerd is.

Het is bekend dat u niet graag praat over de autobiografische details in uw werk. Waarom niet?

Ik vind vragen over het autobiografische gehalte van een boek weinig zinvol. Je schrijft namelijk romans omdat je net weg wil van je kleine leven. Natuurlijk gebruik je elementen uit je leven, maar de plot zelf is in mijn geval altijd verzonnen. Enkel sommige details komen voort uit mijn leven. Zo had ik ooit een liefje die beter tenniste dan ik maar toch verloor ze steeds van mij omdat ze nerveus was. Dat detail gebruikte ik voor Madeleine.

De seksscènes in het boek zijn heel overtuigend omdat ze veel onthullen over de personages. Voelde u schaamte tijdens het schrijven ervan?

Ik heb het altijd gênant gevonden om seksscènes te doen. Ook voor ‘Middlesex’ was dat een probleem. Voor dit boek moest ik echt voorbij mijn schaamtegrens. Ik focus me altijd op wat er in de geest van de personages gebeurt tijdens de seks. Ik vind seks namelijk net zozeer een cerebrale als een fysieke activiteit. Als je je als schrijver focust op de bewegingen van lichamen, krijg je al snel pornografie. Zoem je in op gevoelens en gedachten, dan krijg je een interessantere scène. In dit boek zit veel slechte seks, wat allicht makkelijker is om te beschrijven dan fijne seks.

Mitchell trekt na zijn opleiding op spirituele queeste naar India. Bent u religieus?

Mijn opvoeding was niet religieus. Ik had een heel religieuze fase toen ik een prille twintiger was. Pas toen ik ging studeren en Milton en Shakespeare las, begon ik me te verdiepen in religie. Ik gebruikte mijn herinneringen aan die tijd voor Mitchell. Net als hem ging ik naar India, was ik een vrijwilliger voor Moeder Theresa. Ik las veel over religie, bezocht kerken. Mitchell was een moeilijk personage. Ik wou hem niet belachelijk maken of voorstellen als een fundamentalist. Hij is zowel gepassioneerd als sceptisch, hij heeft twijfels. Het was een moeilijke balans. Met een personage als Mitchell is het risico op een karikatuur groot. Deze dagen schrijven maar weinig romanciers over spirituele vragen, dat was vroeger wel anders. Ik vind die verschuiving vreemd want vragen over zingeving en religie zijn van alle tijden.

De gebeurtenissen in ‘Huwelijk’ zijn minder excentriek dan die in uw eerste twee romans. Was dat een bewuste keuze?

De eerste twee romans hadden inderdaad een meer buitengewone plot. Ik weet niet echt hoe dat komt. Nadat ik een roman af heb, vloeit het volgende boek daar automatisch uit voort. Elk boek leert me iets. Elke keer wil ik iets nieuws uitproberen. Tijdens ‘Middlesex’ leerde ik veel over personages. Vervolgens wou ik een roman schrijven waarin de personages centraal staan, niet het experiment of de taal. Ik wou diep in hun geest graven, hun gevoelens en gedachten van moment tot moment beschrijven. ‘Huwelijk’ is echt een boek van personages.

In een van de universiteitsscènes gaat het over de vraag hoe een auteur nog origineel uit de hoek kan komen, gezien er al zoveel is geschreven. Is dat een vraag die u bezighoudt?

Die vraag heeft te maken met een debat dat ik al jaren voer in mijn hoofd: komen boeken voort uit andere boeken of komen ze voort uit het echte leven? Ik denk dat ik tussen de twee in zit. Oudere romans hebben mijn werk beïnvloed, maar boeken gaan ook over het echte leven. Als je wil schrijven, moet je veel romans gelezen hebben. Toch is dat niet voldoende. Je roman zal nooit origineel zijn, tenzij je er elementen uit je eigen leven in stopt, een ervaring waarover nog niet eerder werd geschreven. Semiotici zeggen dat we moeten ophouden met vragen te stellen als ‘Waarover gaat het boek?’. Volgens hen gaat elk boek over andere boeken. Mijn verhalen gaan zowel over literatuur als over het echte leven. Neem nu bijvoorbeeld ‘Middlesex’. Dat werk bevat al het DNA van ‘De Roman’. In het begin van dat boek gebruik ik een epische verteltechniek en geleidelijk aan ga ik over naar de traditie van het psychologisch realisme. ‘Middlesex’ heeft postmoderne elementen, net als ‘De zelfmoord van de meisjes’. In dat laatste boek gebruik ik een wij-verteller, wat ongebruikelijk is. Toch is het boek verhalend. Je kan het gewoon lezen als een droevig suburb verhaal.Ik hou zelf van romans die je meenemen, die je opzuigen. Ik heb helemaal niets tegen een goede plot. Velen zeggen overigens dat ‘Huwelijk’ mijn meest traditionele of verhalende boek is. Dat kan kloppen, hoewel sommige fragmenten tot het meest experimentele behoren wat ik ooit schreef, met name de stukken over Leonards manische episodes. Een geest die oververhit geraakt en uit elkaar valt, is moeilijk te beschrijven. Als je het bewustzijn van een dergelijk personage grondig wil verkennen, zal je altijd een beroep moeten doen op bepaalde experimentele verteltechnieken.

U doet meestal een hele tijd over een boek. Ik kan me voorstellen dat een mens verandert in acht jaar. Stelt u oorspronkelijke ideeën dan bij?

Aanvankelijk werkte ik aan een andere roman , die ik uiteindelijk weggooide. Dat boek had wel dezelfde personages. Ik haalde ze eruit en kende ze dus al goed, toen ik aan ‘Huwelijk’ begon. Eenmaal ik vertrokken ben, is het voor mij makkelijk om vast te houden aan mijn oorspronkelijke plan. Ik schrijf wel vaker dingen die ik niet afmaak of die vastlopen. Daarom duurt het schrijfproces bij mij zo lang. Ik vind niet dat ik om de twee jaar een boek moet uitbrengen, omdat dit zo hoort.
In ‘Huwelijk’ staan veel verwijzingen naar ‘vergeten’ titels, zoals de werken van Roland Barthes, de kleppers van Mrs Gaskell. Hoopt u dat lezers ze zullen oppikken?
Mrs Gaskell heb ik zelf niet eens gelezen. Barthes is mijn favoriete semioticus. Zijn ‘De taal der verliefden’ is echt de moeite, het leest als een dagboek. Grappig genoeg verkoopt het erg goed momenteel in de V.S. dankzij ‘Huwelijk’ .’

Heeft u al plannen voor de komende jaren?

Ik denk niet dat het zo lang zal duren voor ik weer iets publiceer want ik ben zo goed als klaar met een collectie van kortverhalen. Het wordt een selectie uit alle verhalen die ik schreef van mijn jeugd tot nu.
Jeffrey Eugenides – Huwelijk – Prometheus – 400 blz. – 29.95 €.
Bio:
Jeffrey Eugenides (°1960) werd geboren in Detroit in een Iers-Grieks gezin. Net als Madeleine Hanna in ‘Huwelijk’ ging hij naar Brown University. Zijn eerste roman, ‘De zelfmoord van de meisjes’, werd verfilmd door Sofia Coppola. Eugenides won The Pulitzer Prize voor ‘Middlesex’, een roman met epische allures over thema’s als nature en nurture, gender en de vervulling van de Amerikaanse droom. ‘Middlesex’ speelt gedeeltelijk in Berlijn, waar Eugenides enkele jaren woonde. Tegenwoordig doceert Eugenides creatief schrijven aan de universiteit van Princeton. Hij is ook de redacteur van ‘My Mistress’s Sparrow is Dead’, een bundel met liefdesverhalen. Momenteel legt Eugenides de laatste hand aan een eigen verhalenbundel. (KM)

donderdag 22 december 2011

Interview Peter De Clercq (Bouillon!)


Winterbarbecues zijn spannend

De Oost-Vlaamse kok Peter De Clercq is bezeten van vuur. In zijn restaurant Elckerlijc ontdek je dat barbecuen en grillen ook met verrassende ingrediënten kan.

Tekst: Kathy Mathys

Kookboeken, tv-programma’s en een eigen restaurant: Peter De Clercq is een drukbezet man. In 2003 werd hij wereldkampioen barbecue, een titel die hem geen windeieren legde. Zelfs vanuit China komen ze hem vragen om advies: ‘Shangai TV was hier vorige zomer met een delegatie. In China begint men nu ook te barbecuen, maar ze hebben er nog geen kookprogramma’s. Dus waarschijnlijk kom ik binnenkort op Shangai TV.’
Woorden van lof in de New York Times, buitenlandse werkcontacten: De Clercq rekt zijn wereld op. Nochtans begon het ooit allemaal heel klein. De kok kreeg de eetmicrobe al snel te pakken, nadat hij de basisschool had afgerond. Toen hielp hij tijdens weekends en vakanties bij familieleden die een slagerij hadden in Knokke. De zaak organiseerde ook barbecues en zo is De Clercqs liefde voor vuur en vlammen ontstaan. Aan de voedingsschool Ter Groene Poorte in Brugge volgde hij een opleiding tot slager, daarna tot kok.
‘Ik leerde mijn vrouw kennen, toen ik zeventien was. Ja, ik was er vroeg bij,’ lacht De Clercq. ‘De familie van mijn vrouw runde een slachthuis, dus ook zij kreeg die passie voor eten mee als kind . Toen we vier jaar verkering hadden, riep haar vader me bij zich. Dat was hier in het restaurant, het vroege ouderlijke huis van mijn vrouw. Ik herinner me nog dat haar vader een groot stuk rosbief stond te roosteren op de open haard. “Ook al zo bezeten door vuur?“ vroeg ik. Mijn toekomstige schoonvader stelde die dag voor om niet langer op locatie te barbecuen, maar in het ouderlijke huis.’
Het barbecueteam zette een keuken neer in de dubbele garage, bouwde een open haard en zo ging het barbecueverhaal van start. Tijdens de jaren 1990 was het restaurant enkel in het weekend open en kon je er scampi en côte à l’os op de grill krijgen. ‘Na een tijdje openden we drie dagen per week, dan vier en zo ging het steeds een stapje verder. Ook in de begindagen heette de zaak al Elckerlijc. Mijn vrouw heeft die naam bedacht. Ze had op school ‘Reynaert de Vos’ en ‘Elckerlijc’ gelezen. Het idee dat het restaurant voor iedereen - voor elke mens - zou openstaan vonden we mooi.’ Tot 1996 was Elckerlijc een familiezaak. Daarna kochten De Clercq en zijn vrouw het restaurant over, al blijft bijvoorbeeld De Clercqs schoonbroer werken aan de bar.

Memorabele broccoli

Voor zijn eerste memorabele eetervaring moeten we ruim dertig jaar terug. De Clercqs ouders baatten een café uit en het gezin had de gewoonte om op sluitingsavond te gaan eten in Oud Sluis, dat toen nog uitgebaat werd door de vader van Sergio Herman: ‘We aten altijd steak stroganoff, van die dikke chateaubriands. Daar heb ik toen, ruim 30 jaar geleden, voor het eerst broccoli gegeten. Dat vond ik bijzonder.’
De Clercq leerde al experimenterend, er zijn nu eenmaal geen barbecuescholen. ‘Ik heb me ontwikkeld door elke dag te oefenen. Veel van wat je uitprobeert mislukt maar door toeval ontdek je ook veel moois. Gooi je grove vuurkruiden in de vlammen of een wijnrank, dan krijg je prachtige aroma’s. Vroeger gooiden mensen enkel Provençaalse kruiden op de barbecue maar er zijn zoveel andere mogelijkheden. Olijfpitten, die ik de eerste keer onnadenkend in het vuur smeet, geven een bijzondere smaakaccent. Nu ben ik aan het experimenteren met schelpen van amandelnoten en kersenpitten of ik bereid een côte à l’os boven Jack Daniels-houtschilfers. Vroeger kreeg ik veel sceptische reacties op die vuurkruiden. Nu is dat veranderd, klanten merken dat een saus niet altijd een must is. We doen sowieso nooit veel saus op het bord, zeker niet bij de algemene kaart. Bij de filet pur of de cote à l’os serveren we de saus altijd apart. De tweede keer bestellen mensen geen saus meer want ze ontdekken dat er veel smaak in het vlees zelf zit.’
De Clercq pent sinds 1999 al zijn kruidenmengsels en ideeën neer. ‘Toen ik “Eigentijds barbecuen” uitbracht, waren er nog geen boeken over dat onderwerp in het Nederlands. Daarna begon alles te lopen als een trein. In 2001 trok een Belgisch team van barbecuers, onder leiding van De Clercq, naar Zuid-Afrika om er deel te nemen aan het wereldkampioenschap. ‘We bakten er toen niets van maar leerden veel bij. Iedereen kan deelnemen aan een WK. Ik heb een ander team gevormd en met vijf man hebben we een jaar lang getraind. In 2003, in Jamaïca, kreeg iedereen dezelfde opdracht. We moesten een red snapper, een stuk kip, varkensvlees, rundvlees, ribben en een dessert bereiden. Timing is belangrijk. Dien je je stuk kip één minuut te laat in, dan diskwalificeert de jury het team. De cuisson is natuurlijk ook elementair. Verder kijkt de jury naar kruiding en originaliteit.’

Koolrabi op het vuur

Voor De Clercq is het duidelijk: je kan zowat alles op de barbecue leggen. De tijd van de gegrilde worsten is voor hem al heel lang voorbij. Naast het restaurant liggen een prachtige moestuin, een kruidentuin en een boomgaard. Terwijl we naar de groentetuin wandelen, heeft De Clercq het over zijn prioriteiten. Een Michelinster hoort daar niet bij. Gemoedelijkheid en een familiale sfeer zijn belangrijker voor hem: ‘De kinderen van onze eerste klanten komen nu zelf eten met hun kroost. Ik vind die gezellige, ongedwongen sfeer van Elckerlijc erg belangrijk.’
De barbecuechef werkt graag met verrassende producten, koolrabi, bijvoorbeeld, of witte kool en spitskool. Het zijn groenten die je niet meteen zou verwachten op een barbecuetoestel: ‘Nochtans kan je er prachtige dingen mee doen. De koolrabi leggen we in houtskool. Ze wordt zwart aan de buitenkant, wanneer je ze grilt. De schil haal je eraf en binnenin vind je een groente met een heel intense smaak. Mensen kunnen dat ook thuis doen, maar niemand denkt eraan om een kool een uur lang op de barbecue te gooien.’ In de moestuin staan biologisch gekweekte groenten: koolrabi, bieten, rammenas. ‘In het restaurant serveren we wat de tuin schaft. Als er ‘EF’ op de kaart staat, weten de klanten dat het product van onze Elckerlijc Farm afkomstig is.’

De Clercq is steeds bereid tot innovatie. Rustig afwachten is niet aan hem besteed: ‘Als ik naar het buitenland reis, hou ik mijn ogen goed open. In New York kwam ik in een restaurant waar ze enkel varkensvlees serveerden. Het zat er bomvol, en dat terwijl ik nog geen varkenskotelet aan de man kon brengen. Toen bleek dat het restaurant zijn eigen varkens kweekte, heb ik dat idee overgenomen. Een boer uit Nevele kweekt nu brasvarkens voor ons, een oud ras. Ze worden gevoerd met rijstepap, aardappelschillen, erwtpeulen en olijfolie. Hun vlees is vaster en heeft een Zuiderse toets. Mijn kippen laat ik dan weer kweken bij een teler in Boehoute.’

Barbecue in elk seizoen

Op het restaurantterras staan twee barbecues voor workshops en kooklessen. De Clercq deelt zijn kennis graag met anderen. Hij is niet te beroerd om toe te geven dat er in zijn eerste kookboeken technieken staan die hij niet langer zou gebruiken: ‘Een product 24 uur laten marineren, dat zou ik niet meer doen. Ik sta open voor verbeteringen. Misschien trek ik ooit, net als Ainsley Harriott, de wereld rond om alle barbecuetechnieken te leren kennen. Portugal, Thaïland, Argentinië en Zuid-Afrika hebben prachtige vuurtradities.’
Dat zijn dromen voor later. Voorlopig heeft hij de handen vol op het thuisfront:
‘ Doordat we seizoensgebonden koken vormt elke nieuwe week een uitdaging voor mij. We hebben een jong, geïnspireerd team. Mensen blijven graag voor lange tijd bij ons aan de slag. Mijn oudste dochter, die haar opleiding in Kokzijde volgt, draait al goed mee in zaak. Mijn tweede is zestien en wil patisserie studeren. Mijn zoon van zes, tenslotte, is nu al geobsedeerd door barbecue. Hij staat altijd op de eerste rij als ik iets demonstreer.’ Heeft De Clercq nog tips voor de thuiskok? ‘De kwaliteit van het product en van het materiaal is erg belangrijk. Veel barbecue-attributen zijn niet duurzaam. Een gratis tang bij een barbecueset is na zes maanden versleten. Veilige en gezond koken vind ik belangrijk en daarom ontwikkelde ik mijn eigen barbecuelijn. Verder moet je het voedsel insmeren met een degelijke grillolie en kan je, in plaats van houtskool, kokosbriketten gebruiken. Ze blijven vijf uur lang branden. Ik raad thuiskoks ook aan om dingen op voorhand te bereiden. Maak een Qbag met groenten, mosselen, witte wijn en kruiden. Leg die op de grill en door het venstertje zie je wanneer de mosselschelpen opengaan. Voor het dessert kan je een ananas injecteren met een muntmarinade. Leg hem op de grill en een uur later heb je een prachtresultaat. Verder wil ik ook benadrukken dat barbecuen niet enkel leuk is in de warme maanden, integendeel. Ik hou erg veel van winterbarbecues.’

Over mij

Mijn foto
Als freelance schrijver ben ik vooral bezig met Engelstalige literatuur. Ik recenseer fictie en interview auteurs voor De Standaard, Reflector, Het medisch weekblad en Vrij Nederland. Momenteel zit ik in de jury van de Ako Literatuurprijs. Daarnaast schrijf ik ook over film en over voeding. Vooral voedingsethiek en -historiek boeien mij. Ik geef lezingen over eten en boeken en interview auteurs voor publiek.Ten slotte geef ik ook cursussen en workshops in creatief schrijven. Zie www.writerskitchen.nl